Jump to content
Hawk Dickson

[1839/1840] Started to lose control the more we accelerate

Recommended Posts

Hawk had nooit het gevoel alsof hij bij andere mensen kon ademen. Ze verstrikten hem, met hun regels, hopen, dromen en verwachtingen die ze door zijn strot duwden, terwijl Hawk alleen zichzelf in zijn mond wilde hebben. Er was maar één die daarop een uitzondering was: Chase Bennett.

 

Hij dacht er nooit over na wat dat eigenlijk betekende, die vanzelfsprekendheid waarmee ze elk een plekje in het leven van de ander hadden veroverd, maar was het niet zo dat je af en toe naar iemand keek en wist dat dit jouw persoon was? Degene met wie je alles kon delen, maar dat niet eens hoefde te doen, omdat ze zonder dat je een woord zei precies begrepen wat er in je om ging? Hawk was geen prater, had weinig zoete woordjes weg te geven, legde zijn ziel niet bloot, maar bij Chase had dat nooit gehoeven. Bij Chase was het juist dat hoe stiller ze waren, hoe beter het was. 

 

Hij kondigde zich dus ook niet aan terwijl hij naar binnen slenterde, zei niets toen hij een biertje pakte en naast Chase op de bank plofte. Het enige wat hij deed, was Chase zijn voeten aan de kant schoppen.

 


 

Privé! 

Share this post


Link to post
Share on other sites

Chase had niet per se geweten dat Hawk langskomen zou, maar ergens ook weer niet dat hij zijn gezicht niet zou laten zien. Hij kon zich nauwelijks nog herinneren wanneer ze voor het laatst werkelijk afgesproken hadden, in plaats van elkaar mede te delen waar de een naartoe zou gaan, in de verwachting dat de ander volgen zou, of gewoonweg, zoals nu, op dezelfde plaats opduiken. Hawk en hij deelden hun leven half en half, haast alsof het geeneens meer een keuze was, maar gewoonweg hoe de wereld functioneerde. De zon kwam op in het oosten, de aarde draaide door en door, winter volgde op herfst en werd opgevolgd door de immer geduldige lente, en als je Hawk zag, zag je Chase evenzeer. ’t Was een beter systeem dan met Claude, nam hij aan. Het was beter om aangevuld te worden door iemand die je niet zag als alles slechts ter wereld.

 

Hoewel. Het hield hem scherp, dat wel.

 

Scherper dan dit. Nu verzette hij zich enkel zodat Hawk een plaats kon vinden op de zetel en sommeerde hij nog een pintje voor zichzelf. De stilte voelde lichtvoetig aan, slechts bestaan in een ruimte waar niets anders gedaan moest worden dan dat. Er waren honderden, duizenden, miljoenen eisen in de wereld en hij kon aan ze allemaal godverdomme wel voldoen (Chase kon alles, vond hij, hij was een fantastisch voorbeeld van een jongeman in victoriaanse tijden, iemand waar iedereen trots op kon zijn, zonder dat iemand dat effectief was), maar het was vreemdsoortig geruststellend om zo nu en dan op een zetel te zitten met gekoeld bier zonder elke potsierlijke buiging tot een goed einde te moeten brengen.

 

Hij hield zijn mond tot zijn tweede pint de bodem bereikte, frustrerend snel en tergend traag tegelijkertijd. ‘Hier,’ mompelde hij toen hij een nieuwe in Hawks handen duwde na zichzelf van vervanging verschaft te hebben. ‘Claude ’s naar één of ander bal,’ zei hij, iets minder binnensmonds. Niet dat dat nodig was. Hawk verstond hem vast wel. ‘Open bar.’

Share this post


Link to post
Share on other sites

Ah, Claude. Waar Hawk altijd op de hoogte was van Chase zijn bestaan, vergat hij dat van Claude tot hij ermee geconfronteerd werd. Het was niet alsof er iets mis was met Claude, nou ja, niets meer dan dat er ooit mis was met een vrouw, niet waar? Altijd zeurend, altijd schel, altijd scherp, hij begreep het nooit als vrouwen dichterlijker werden omschreven als zacht, warm, lief, want in zijn ervaringen was er niets zachtzinnigs aan vrouwen. Het waren kristallen karaffen gevuld met onvree, gevaarlijker als ze in stukken uit elkaar waren gevallen. Claude was er een mooi exemplaar van, dat niet, maar... tja. Hij kon duizenden vrouwen bedenken die hem op dezelfde manier vulden als Claude dat zou doen, maar er zou altijd ruimte overblijven. 

 

Zijn enige commentaar was dus iets tussen een grom en een zucht in. Meer viel er niet over Claude te zeggen, hoewel die open bar hem wel wat leek, maar om nou weer van de bank af te stappen, naar buiten, waar andere mensen altijd wat van hem wilden... "Tijd voor iets sterkers?" vroeg hij, maar zonder te wachten op een antwoord zwaaide hij met zijn toverstok, als een kind aan huis waar Chase ook was, en er kwam netjes een fles whiskey aanvliegen, die hij verdeelde over twee glazen. 

 

Proost, op hen, op het leven. 

Share this post


Link to post
Share on other sites

Chase kon een gegrinnik niet onderdrukken bij Hawks prompte respons. God, hij dacht niet dat ze werkelijk wat zouden missen – bals waren altijd hetzelfde, en de mensen kende hij ondertussen uit zijn hoofd. Oh, hij kende Hawk net zo goed uit zijn hoofd, er was verbazingwekkend weinig over Hawk dat hij niet wist, en als hij niet wist, wel, dan had hij een vermoeden. Je kon geen silhouet van een thuis in de huid van een ander snijden zonder dat je ontdekte wat erachter verborgen zat.  Het was niets waar hij mee kon zitten. Het fragiele glas waar Hawk de whiskey in had geschonken, stootte hij haast plechtig tegen het zijne. Zijn bruine ogen boorden zich een weg in die van Hawk voor een tel lang, eventueel twee, of drie misschien, om de zeven jaar slechte seks te vermijden, waarna ze zich richtten op andere zaken, als ervoor zorgen dat de whiskey zich een efficiënte weg naar zijn mond kon banen.

 

‘Waarschijnlijk een beter idee, ja,’ zei hij, net alsof het niet al te laat was nu de whiskey alweer in zijn aderen gedoken was. Het was beter zo, dacht hij. Hij liet zich achterover vallen, tot elk afzonderlijk bot van zijn ruggengraat zich kon verliezen in de leuning van de zetel. Als het erop aankwam, was hij nergens gekomen zonder het ding, figuurlijk of letterlijk, maakte het op dit punt zelfs maar uit, maar het was fijn, ergens, om het voor een moment over te laten aan iets eenvoudigs als een zetel die te oud was om niet al veel te veel meegemaakt te hebben. Hij was vreemdsoortig gehecht aan het eenvoudige feit dat Hawk en hij al jaren op dit onding zaten. En ergens haatte hij het evenzeer. Heel eigengereid. Of niet. Hij had geen zin om erover na te denken. ‘Wat is de kans dat je de rest van die fles at?’

Share this post


Link to post
Share on other sites

Zijn zintuigen voelden altijd scherper als hij bij Chase in de buurt was. Alsof hij alleen tijdens deze momenten wakker was, ondanks dat hij juist bij Chase altijd zoveel dronk en zijn grenzen verlegde alsof hij nooit grenzen had gekend. Er was niemand die hem zo tot het uiterste kon drijven als Chase, niemand die dat ook wilde. Hoewel Hawk er nooit naar luisterde, wilden andere mensen hem altijd afbakenen. Kleiner maken. Gemakkelijker maken. De enige bij wie hij zoveel ruimte in beslag kon nemen als hij wilde zonder dat erover werd geklaagd, was Chase. 

 

Hawk wierp een schattende blik op de whiskey-fles, niet helemaal vol meer, maar vol genoeg om er spijt van te krijgen als hij het onding in één keer door zijn strot moest duwen. "Drie," zei hij dus ook, achteloos, alsof het hem totaal niet uitmaakte welk cijfer Chase hem zou geven om zijn lot te bepalen. Hij mocht zich dan zeker voelen bij Chase in de buurt, zekerder dan hij zich ooit bij iemand anders had gevoeld, maar ook weer niet. Er zat iets aan de manier waarop Chase naar hem keek, de manier waarop Hawk zijn blik altijd opzocht, dat hem het gevoel gaf dat hij op het punt stond van een explosie. 

Share this post


Link to post
Share on other sites

Een achteloze beweging was genoeg om de fles te openen en zelf alvast een brandende slok te nemen (al was het niet helemaal de whiskey die brandde, maar ah, de nuances van de werkelijkheid waren niet aan hem besteed, niet vanavond, niet als Hawk naast hem zat), voor hij puur per toeval eveneens drie zei en naar hem grijnsde. Het ding was halfweg – uit altruïsme dronk hij nog een slok of twee voor hij het aan Hawk gaf. Zijn vingers raakten net Hawks hand aan, een schampschot zonder woorden, en als gestoken trok hij zijn hand terug, waarbij de fles met een zekere dramatische ironie de grond raakte en brak. ‘Godver’, vloekte hij, zonder een blik op Hawk te werpen. Waarom was Hawk verdomme zo slecht in dingen aanpakken? Er bestond een rechtstreekse telefoonlijn tussen hun hersenen, maar op de een of andere reden weigerde meneer diezelfde coördinatie op enig ander punt door te brengen.

 

Chase vond dat niet erg. Het zorgde er gewoon voor dat de whiskey een zielig hoopje op de vloer werd.

 

En ja, het was Hawks schuld. Chase had niets verkeerds gedaan.

 

‘Lafaard,’ bromde hij zijn beste vriend toe, en hij leunde wat achterover, ‘ben je zo’n mietje dat je de rest van de fles niet aankon of zo?’ Van je vrienden moest je het hebben. Met een niet meer zo achteloze zwaai van zijn toverstok ruimde hij de verspilde whiskey op, zonder er echt naar te kijken. Er waren te veel zaken in deze ruimte waar hij zijn aandacht niet van kon afhouden om zich werkelijk bezig te kunnen houden met iets banaals als whiskey op de vloer. Oh, het was jammer, oh, hij ging Hawk ermee pesten, maar God, ’t was niet alsof hij geen andere whiskey had. Chase had alles wat hij wilde, tenslotte. En alles wat hij nodig had in deze godvergeten kamer.

Share this post


Link to post
Share on other sites

Hij zag de rest van zijn avond al voor zich, het dromerige genoegen van stomdronken zijn en dan de vreselijke ochtend erachter aan, maar dat hoorde er ook bij. Als het geen pijn deed, geen opoffering nodig had, dan was het het niet waard. Tenminste, niet de beste dingen. Er waren genoeg genoten in het leven die alleen maar fijn voelden en geen randje pijn hadden, maar Hawk voelde zich nooit echt vervuld daardoor. Er miste gewoon iets, als alles soepel ging. Dus ja, hij had de fles best opgedronken, hoor, als het juist Chase niet was geweest die zich zo van hem had afgetrokken. Hij begreep het wel, elkaar aanraken was zo... hij wist niet helemaal hoe hij het in woorden uit kon drukken, maar het voelde zo slecht. Mannen hoorden elkaar niet aan te raken, alleen als het echt niet anders kon, als je zo verdwaald was van de wereld dat je je aan elkaar moest vastklampen, maar dan alleen omdat je het je morgen toch niet meer zou herinneren. 

 

"Oh, ik ben de lafaard?" snoof hij, terwijl hij zich weer achterover liet vallen, zijn lichaam uit de buurt van Chase probeerde te kantelen, maar daar niet geheel in slaagde. "Jij bent degene met die trillende handen." Hij kon het nooit weerstaan om op de zwakheden van Chase te hameren, alsof hij dan zijn eigen zwakheden kon vergeten. Met een slappe zwaai van zijn toverstok kwam er een nieuwe fles aanvliegen, ongeopend. Geen denken aan dat Hawk die leeg zou drinken, maar hij kon wel een goed begin maken, dus nam hij een flinke slok. Zonder de mond schoon te maken, stootte hij met zijn elleboog tegen Chase aan en duwde hij de fles naar hem toe. "Wie is hier een mietje?" vroeg hij, dreigend. 

Share this post


Link to post
Share on other sites

Oh, was hij het mietje plots? Omdat zijn handen de warme huid van Hawk (hij had een hekel aan het feit dat hij dat kon benoemen, dat de exacte temperatuur hem bijbleef, telkens als dit soort onzin gebeurde, als een brandmerk, een verzengende afdruk van Hawks bestaan, ongewild, maar godverdomme, dat soort gedachten waren pas… ugh) hem zijn handen liet terugtrekken? Kom op. Dat was juist het tegenovergestelde. Hij rolde met zijn ogen, weigerde te verzetten toen Hawk aanstootte (móést dat echt?) en griste de fles uit zijn handen. Nee, hij ging die niet atten, maar hij ging er wel een aantal flinke slokken uitnemen. Hij had meer nodig dan dit om Hawk aan te kunnen, zo bleek maar weer. Hij vergat altijd hoe onuitstaanbaar hij Hawk vond.

 

“Jij”, merkte hij op, de fles met een iets te harde klap op de salontafel zettend. Waarom zou híj het mietje zijn? “Jij bent degene die me blijft aanraken.”  Oh, dat was in principe een taboe – normaliter hadden ze het hier niet over, zeiden ze niets over het algeheel concept dat het zo af en toe onmogelijk scheen, bleek, hij wist het nooit zo precies, om de kille bries van niemand aan zijn lijf te voelen. En toch. Het was eruit gerold. Hij kon er verdomme niet tegen als Hawk, van alle mensen ter wereld, hem een lafaard noemde. Wispelturig als altijd pakte hij de fles weer op, nam hij er een slok up en haast in een vloeiende beweging duwde hij het ding in Hawks handen. “Nicht.”

Share this post


Link to post
Share on other sites

Het was niet alsof Hawk Chase constant wilde aanraken, het gebeurde altijd gewoon zonder dat hij erover nadacht. Hij haatte het, hoor, als hij erover nadacht, dat zijn been de zwaartekracht van Chase's lichaam herkende, zijn hand de textuur van zijn huid, zijn neus het zout van zijn zweet. Het was wat er vanzelf gebeurde, als mensen elkaar kenden, als ze dagenlang in elkaars nabijheid doorbrachten, maar het voelde te intiem, had altijd te intiem gevoeld, maar te vertrouwd om zich er niet in te verdrinken. 

 

"Oh klootzak," snauwde Hawk. Hij slingerde de fles weg, alsof hij gaf om de glasscherven en de vlekken die het voort zouden brengen, het was niet zijn huis, zou nooit zijn huis zijn, alleen een ruimte waarin het net voelde maar nooit echt zou zijn, en greep ruw de stof van Chase zijn trui vast, om hem naar zich toe te trekken. "Je hebt grote woorden, maar we weten allemaal waar je echt mee zit." 

 

Dat kon hij wel voelen. 

Share this post


Link to post
Share on other sites

Chase’s bruine ogen flikkerden naar de scherven op de vloer, de plas whiskey, ergens meer onheilspellend dan elk badje bloed op de vloer ooit kon zijn. Hij wist niet goed wat hij ermee moest. Oh, ja, hij kon het opkuisen, maar hij was verdomme geen huiself – maar tegelijkertijd leek het een verschrikkelijk idee om het daar eenvoudigweg te laten liggen. Alsof het een omen was. Of nee, nog erger, een te duidelijke aanwijzing voor wat er exact speelde, onderhuids. Niet bij hem, oh, natuurlijk niet, hij was niet degene die opnieuw en opnieuw het script kwijt leek te raken en dan maar dit soort nonsensicale dansjes placeerde. Nee, dat was Hawk. Hawk gooide met flessen en ging de confrontatie niet uit de weg, alsof dat niet de lafste manier ooit was om hiermee om te gaan.

 

“Rot toch op”, snauwde hij naar Hawk. Hij was zijn beste vriend, ergens, op de een of andere manier, maar ze eindigden vaak genoeg op deze manier. Hawks handen die zich een thuis zochten in de stof van Chase’s trui, alsof ze daar thuis hoorden (deden ze dat?), de iets te brute manier van doen om de precieze bedoeling niet te merken. Hawk leek het nooit volledig aan te kunnen als hij Chase’s lichaamswarmte niet kon voelen, maar vond het gebrek aan kilte evenzeer walgelijk. Dat was wederzijds, ergens, maar God, tegelijkertijd… Hawks weerzin voelen in elke lettergreep die er uit Hawks lippen ontsnapte, maakte hem alleen maar razender. Alsof het hem dwong om toe te geven dat hij alleen maar walgde als Hawk hem eraan herinnerde dat hij het afstotelijk moest vinden. “Misschien moeten we het hebben over waar jíj duidelijk mee zit, hm?”

 

Hij zag het wel. Voelde het. Zeker nu. Hoe dichterbij hij was, hoe moeilijker het was om het niet te merken in alles wat hij deed. De moeite om Hawks handen van zijn trui te krijgen deed hij niet. De moeite om Hawk een duw te geven zodat hij wist dat hij de bovenhand hier niet had wel.

Share this post


Link to post
Share on other sites

Hawk was nooit het type van woorden geweest, kon zichzelf nooit echt eloquent uitdrukken, zelfs niet als hij dronken was en eindelijk niet bang was voor de dingen die hij zelf wilde zeggen, maar ten eerste had hij nu niet dat excuus en ten tweede voelde het toch altijd alsof die woorden vijanden waren die zijn eigen hart blootlegden. Hij kon zijn mond niet vervormen als een schild om zichzelf te beschermen, noch als een wapen om anderen aan te vallen. Nee, woorden kwamen bij hem altijd tekort, maar hij had gelukkig andere manieren om zich uit te drukken.

 

Door de kracht van Chase zijn arm werd hij even achterover geduwd, maar Hawk liet niet los, greep zich nog sterker aan Chase vast, dicht genoeg dat hun kinnen tegen elkaar aanbotsten en hij hardop vloekte toen Chase zijn tanden in zijn lippen sneden. Het geweld borrelde op in zijn aderen en hij gaf een ruwe ruk aan Chase zijn trui, tot de stof scheurde, en dat was bijna genoeg, bijna, maar ook weer niet en dus duwde hij Chase hard in de kussens. 

Share this post


Link to post
Share on other sites

Chase kon stiltes wel appreciëren. Het Bennetthuis was groot en dunbevolkt, maar herbergde persoonlijkheden die geheid gehoorschade konden aanbrengen. Stilte betekende afwezigheid, de ruimte om niet te voldoen aan verwachtingen geschapen om hem ten val te doen brengen, stilte betekende even, heel even een moment om adem te halen. Stiltes waren veilig. In andermans afwezigheid kon hij alles laten rusten tot hij een antwoord had op de vraag die stilte intrinsiek was – wat nu? Dat betekende niet dat Chase geen muur van geluid was, dat zijn voetstappen geen tromgeroffel was, zijn hartslag geen infanterietrompet. En toch. In stilte was hijzelf net zo goed afwezig, en misschien was dat de grootste vrijheid van allemaal.

 

Stiltes met Hawk in de buurt waren erger dan elk overmatig lawaai ooit zou kunnen zijn. Alles was normaal zolang ze praatten, of dat nu een spraakwaterval impliceerde of een sporadisch woord hier en daar. Het ging pas mis als het stil werd, als de woorden opdroogden en er alleen maar een oorverdovend niets overbleef. Al was het maar omdat het dan hen was. Hij en hij en de kilte die zodanig verzengend was dat hij zich gebrandmerkt voelde.

 

Hij kreeg een vloek niet door zijn strot, maar zijn blik schoot wel naar zijn gescheurde trui. Het gewicht van Hawk voelde verstikkend aan, alsof hij het elk moment begeven kon, maar tegelijkertijd zou hij wegzweven als Hawk hem niet op de aarde hield. Hij kon niet zeggen hoe dat werkte. Wilde dat ook niet. Het was zo. Het was altijd zo. Er bestond geen woord voor wat dit was, maar er bestonden duizenden handelingen om het te tonen. Zie, de stilte was huiveringwekkend, maar de enige waarheid die er bestond, was te vinden in wat je hoorde als je alle nodeloze woorden doodde. Als was het revanche gleden zijn handen naar Hawks rug om een welgemikte ruk aan zíjn trui te geven, ergens tussen expres en per ongeluk daarmee Hawk dichterbij te krijgen. Op de een of andere manier vingen zijn ogen die van Hawk – stilte voor de storm. “Zak.”

 

Hij wist niet of hij daarmee de storm vermijden kon. Ergens had hij het gevoel dat hij er al middenin zat.

Share this post


Link to post
Share on other sites

Hawk dacht niet dat er op dit moment nog een weg terug was, maar was er ooit een weg terug geweest? Je zou zijn relatie met Chase kunnen omschrijven als een doolhof, één waar je midden in werd gegooid en dan zelf je weg naar buiten moest vinden, maar hoe meer je erin ronddwaalde, hoe erger je verdwaald raakte. Hij wist niet of hij ooit de uitgang nog zou vinden, maar was dat de belangrijkste vraag? Was er niet een andere vraag, met meer betekenis? Een vraag die hij zichzelf nooit durfde te stellen. Als je Hawk niet goed zou kennen, zou je denken dat hij nergens bang voor was, dat hij was opgevoed zonder angst, maar alleen Chase zou iets anders zien in zijn ogen.

 

God, wat gaf hij om zijn trui? Hij had kleding nooit belangrijk gevonden, vond zijn naakte vorm het meest natuurlijk. Hij werd verwacht zich goed te kleden en dus deed hij dat ook, maar hij moest toegeven dat elk beetje stof om zijn lijf heen als teveel voelde, te zwaar. Chase mocht het allemaal kapot scheuren, het was maar kleding. En de gewelddadigheid waarmee Chase zijn vingers zich in de stof van zijn trui wrongen, die wist hij ademloos terug te geven. Het was een worsteling, twee golven van mannelijkheid die probeerden de overhand te verkrijgen en hij kon Chase niet laten winnen, niet nu, niet ooit, en dat gebruikte hij als excuus om zijn handen lager te leggen, tot hij de zwakke plek vond, en daarin te knijpen. 

Share this post


Link to post
Share on other sites

Oh, er was wel een uitgang, wees daar maar zeker. Chase had duizend keer op het punt gestaan om doorheen de deur te gaan, om Claudes hand vast te grijpen totdat ze begon te huilen en om haar alle zoete leugens toe te fluisteren die een korte glimlach op haar gelaat zouden toveren, om Elena’s kleren van haar lichaam te rukken en haar te doen geloven dat er liefde bestond in agressie. Maar het was nooit genoeg geweest. Nooit echt. Hier was hij dan, bedolven onder Hawks gewicht, een kapotte trui en de warmte van zijn blote huid. Het voelde als een brandmerk. Alsof iedereen het later op zijn lichaam zou kunnen zien – oh, kijk, Chase Bennett was zwak genoeg om overmeesterd te worden door wat alleen Hawk Dickson kon!

 

Hij gruwde bij het idee. Maar uiteindelijk alleen bij het idee dat anderen het konden zien. Hij kon alleen accepteren in stilte, hij kon alleen voelen in de mist die ze rond hen opgooiden.

 

Zijn gezicht vertrok toen Hawk zijn laatste chantagemiddel vond. Geluid hield hij binnen. Hij hield niet van geluid. Van luidruchtigheid. Rumoer. Niet nu. Je kon geen oorlog voeren als je je tegenstander liet weten wat je volgende zet was. En Chase kon oorlog voeren, al was het zijn enige talent, hij kon Hawk met een grom dichterbij trekken zodat hij belemmerd was in zijn handelen, hij kon bijten, hij kon hem van zich afduwen, neerwaarts, als was het om hem te vernederen, al zou hij toch godverdomme hopen dat hij de vernedering al genoeg zag in de nederlaag die hij telkens weer in de ogen kijken moest. Of misschien, misschien lag het verlies wel bij Chase – een ware winnaar werd niet telkenmale hiertoe verlokt, toch? Hoewel. Nee. Toch? Hij wist het niet – als hij het wist, als hij het wérkelijk wist, was hij allang door de deur gestapt.

Share this post


Link to post
Share on other sites

Create an account or sign in to comment

You need to be a member in order to leave a comment

Create an account

Sign up for a new account in our community. It's easy!

Register a new account

Sign in

Already have an account? Sign in here.

Sign In Now


  • Recently Browsing   0 members

    No registered users viewing this page.

×