Jump to content
Sign in to follow this  
Seneca Damarcus

The night so black that the darkness hums

Recommended Posts

Posted (edited)

OOC: OPEN voor ieder. Wie hem vindt mag hem houden. Wel graag verzorgen door een vrouwelijke persoon, zodat hij met een glimlach wakker kan worden. Iemand met wat weerstand zal misschien wel goed voor hem zijn.

 

Het was een grote fout geweest, een hinderlaag, een vernedering om proberen het medaillon te stelen. Ze hadden alles tot in het detail doorgedacht, de spreuken doorgenomen en mensen misleid om de overval op de meest bewaakte kluis in goudgrijp te laten slagen. Hij had daar gestaan voor de kluis, nadat hij samen met een compagnon een geavanceerde slaapspreuk had gebruikt om de Kobalds in slaap te brengen. Ze hadden de slapende Kobald met de naam Muntstuk meegesleurd en de deur kunnen openen, maar hadden geen idee van wat er binnen de kluis zich schuilhield. Het was een ruimte die hij zeker niet had verwacht achter de massieve gouden deuren. Het leek groter dan de grote zaal van Zweinstein en bijna alle gevels en materialen waren van goud, behalve de gitzwarte muren waarbij het leek alsof er schreeuwende lijken in vast zaten. Slachtoffers van duistere magie, die versteend in de muur zaten. Het was een angstaanjagend aanzien, iets wat bij Seneca in het juiste straatje viel. Het zorgde ervoor dat hij nog meer verlangde naar de schat die hij zo graag wilde. In die schat, het medaillon van Zalazar Zwadderich, zat de helft van een grootse vloek waarmee hij in een straal van een kilometer elke modderbloed kon uitschakelen. God, wat zou hij wat meer rust krijgen op die akelige school. Hoe hij het zou verantwoorden aan de ouders was dan wel weer zorg voor later. Hij was toch vermomd, droeg een grote zwarte mantel en een gitzwart masker. De outfit van een Nigh†, zodat niemand hem zou herkennen. Niemand behalve zijn compagnons wisten dat hij een lid was van The Order Of The Night, dus als hij de complete vloek in handen zou krijgen, zou geen enkele ouder, tovenaar of ander gedrocht van Zweinstein en omstreken ook maar een idee hebben over wie hem zou hebben uitgesproken.

 

Zodra Seneca en zijn compagnon naar het medaillon liepen begon de sfeer steeds anders te voelen. De lucht werd koeler en droger en de kaarsen in de kamer begonnen steeds meer te dimmen, waardoor er een akelige stemming was ontstaan. Het leek wel een doolhof van waardevolle pronkstukken die ze moesten ontwijken, hoewel elke gouden schat steeds minder zichtbaar begon te worden door een plotseling ontstaande mist. ‘Lumos.’ Zo konden ze tenminste zien waar ze liepen. Eenmaal aangekomen bij het medaillon dat op een gigantische gouden sokkel met aansluitende trap lag leek de mist steeds dikker te worden. De compagnon, stapte naar het medaillon om het te pakken en Seneca kon alleen maar met een valse grijns van oor tot oor kijken hoe hij zijn missie had volbracht. ‘Well, it wasn’t that hard. Even my first-year students could do this.’ Hij had zich omgedraaid om weer terug te lopen, maar werd al snel onderbroken door het geluid van krakende botten en zachte krijsende tonen. De lijken op de muren begonnen te leven en stapten op hem en zijn compagnon af om ze te grijpen. Het waren Necroten, een soort duistere magie waar Seneca genoeg over had gelezen, maar nooit in het echt heeft kunnen meemaken. Hij begon te glunderen, maar wist dat er nog maar weinig tijd over was. ‘Kom!’ schreeuwde hij, terwijl hij terug het doolhof van schatten in ging door de dikke mist om naar de uitgang terug te keren. Af en toe keek hij om, of zijn compagnon nog in de buurt was en heftig schreeuwde hij spreuken uit om de Necroten – die inmiddels wat meer snelheid hadden gekregen – van hem af te slaan. Toen hij bijna bij de uitgang was voelde Seneca hoe zijn kleding aan gort werd gescheurd door de Necroten en hoe hun klauwen zich in zijn huid grepen en diepe sneeën achter lieten. Hij schreeuwde het uit en hoe harder hij probeerde naar zijn toverstok te grijpen, hoe meer klauwen zich vastklemden in zijn huid. Het was akelig, pijnlijk en weerzinwekkend om aan te zien. Eenmaal toen hij zijn stok in zijn handen had voelde hij de tanden van een Necroot in zijn nek en hoe zijn huid en pezen aan gort werd gebeten. Hij schreeuwde het uit en hief zijn stok in de lucht, waardoor elke Necroot om hem heen brandde door een golf van vuur. Hij had net genoeg tijd om naar de uitgang te kruipen, maar toen hij even achterom keek, wist hij na een harde kreet van zijn compagnon dat het voor hem te laat was. Hij en het medaillon bleven achter.

 

Het enige wat hij kon voelen was de akelige pijn en de vochtigheid van het bloed op zijn huid, dat vooral een brandend en warm gevoel gaf. Hij kon zijn vingers wel bewegen, maar verder lag zijn lichaam er doods bij. Hij voelde dat hij veilig was van de Necroten, dat hij met zijn laatste kracht zich nog wel kon verschijnselen naar een andere plek. Welke plek dit was geworden wist hij alleen niet. Hij voelde gras, of iets wat erg op gras leek en als hij zijn ogen voorzichtig probeerde te openen, leek hij iets van zonnestralen te zien die zich door uitgedroogde takken van bomen zich een weg baanden. Hij was buiten en het was verrot koud. Niet dat hij het heel erg kon voelen, maar hij wist dat als hij hier nog meer uren zou liggen hij het niet lang zou overleven. Niet alleen zou hij dan wel eerder kunnen overlijden aan zijn verwondingen, ook is de kans groot dat de kou op den duur zijn tol gaat eisen. Zijn compagnon was opgevreten, hij lag voor dood ergens buiten en het medaillon heeft hij nooit in handen kunnen hebben. Wat een diep trieste manier op te sterven.

Edited by Seneca Damarcus

Share this post


Link to post
Share on other sites

Joe was terug in Londen. Het leven in Knoydart was niets voor haar, vroeger niet, nu niet. De drukte van de stad was wennen geweest. De eerste dagen had ze het zelfs angstaanjagend gevonden, maar na verloop van tijd hervond ze de bedrijvigheid die van deze menigtes mensen uitging, de bescherming die anonimiteit haar schonk en vooral de pubs. Ze had de overvloed aan pubs zo gemist. Het was niet makkelijk terug haar leven op te pakken. De criminaliteit lonkte, zoals toentertijd  ook het geval was geweest, toen ze voor het eerst arriveerde. Echter Azkaban, zelfs de dreuzelgevangenis hadden hun uitwerking op haar achtergelaten. Moest ze nogmaals opgepakt worden, zou ze er heus niet meer zo gemakkelijk van afkomen als eerst. Daarom had ze zich afgewend van haar oude leven en geen contact opgezocht met haar voornaamste opdrachtgevers. In plaats daarvan had ze haar slagerij heropend, ditmaal met producten 100% vervaardigd uit dierlijk vlees. De verhoogde kosten ergerde haar. Na haar werk droop ze steeds af naar vertrouwde kroegen, waar ze zag hoeveel haar vrienden van vroeger wel niet verdienden, zeker in vergelijking met haar magere inkomen. Het stak haar, en meer en meer jeukten haar vingers bij het oppakken van een mes of hakbijl, maar elke keer plantte ze deze in een hesp of biefstuk. Ze had zichzelf in de hand, ze had zelfdiscipline en ze had een zoon om voor te zorgen, de kleine Rabbit die volgende maand één jaar zou worden. 

 

Kortom haar leven was enorm uitputtend. Ze werkte dag in dag uit en in haar vrije tijd zorgde ze voor de baby, wat er vooral op neerkwam dat ze hem mee naar pubs nam en hem terloops eten gaf of zijn luier ververste. Dan waren er ook nog haar ouders, die erop stonden dat ze zo nu en dan langskwam. Het was uit liefde, omdat ze hun enige dochter zo graag zagen, maar ook om haar te controleren, dat ze zich niet nogmaals zo in de nesten zou werken. Het was vroeg in de ochtend. Rabbit lag nog te slapen en als hij wakker werd zou haar moeder zich vast wel om hem bekommeren. Johanna was naar buiten gegaan, voor een ochtendwandeling, even haar gedachten op een rij zetten. Een goede vriend van haar had haar onlangs gevraagd te helpen bij een klus. Niets groot, gewoon op de uitkijk staan, meer niet. Voor wat ze ervoor zou krijgen klonk het zo aanlokkelijk. Ze had zich net omgekeerd, klaar voor de terugweg naar huis toen ze tussen het struikgewas een paar voeten opmerkte. Een lijk in Knoydart, waar nooit iets spannends gebeurde? Nieuwsgierig zette ze enkele stappen dichterbij. Nee, ze moest zich omdraaien, elke vorm van inmenging vermijden. Wat als iemand dacht dat zij verantwoordelijk was? Toen zag ze de voet bewegen, een stuip misschien. Nu ze wat dichter kwam bemerkte ze dat de schoenen van zeer goede kwaliteit waren. Mensen met dat soort schoenen kwamen niet in dorpen als deze. Voor ze het goed en wel besefte stond ze oog in oog met het bewusteloze lichaam van een man. "Shit, shit, shit." Ze kende dit soort types. Rijk, een prachtig leven, een vrouw en een stel kinderen en meestal nog enkele minnaressen. Dit was het soort mensen dat ze vroeger om het leven had gebracht, al had ze dat wel op een snellere manier gedaan dan bij deze stakker. De wonden leken haast dierlijk. Johanna had het niet voor dit soort type mensen, vooral uit jaloezie. Zij hadden immers alles wat zij zo graag wilde, geld, hopen geld. Nu ze hier toch was, zo vroeg, kon ze deze kans toch niet zomaar aan haar voorbij laten gaan. Ze doorzocht de overblijfselen van zijn kleren, hopend een geldbuidel te vinden. Een zakhorloge en een toverstok, dat was het resultaat. Het verschafte haar meer info over het slachtoffer. Hij was dus een tovenaar en dat horloge, dat zou ze vast wel een mooie prijs voor krijgen op de zwarte markt. Het was op dat moment dat ze zijn borst lichtjes zag reizen. Shit, ze had niet eens nagekeken of hij wel echt dood was. Misschien dat ze beter de zaak af kon handelen, hem uit zijn leiden verlossen, langs de andere kant, wie weet kon dit haar weleens meer opbrengen. Met een beetje geluk was hij één van die mensen die hun redders met een flinke som geld beloonde en dat geluk kon ze heus wel in de hand werken. Johanna was niet de beste in magie. Ze was nooit naar Zweinstein geweest. Echter hier en daar had ze spreuken opgepikt, diegene die handig waren voor haar job, zo ook een paar simpele helingsspreuken. "Dit zou het ergste moeten voorkomen. Hey, kan je me horen, hey ik wil je een voorstel doen. Kijk je ligt hier nogal afgelegen makker en in een niet al te beste staat. Ik kan je heus helpen, maar dat gaat je wat kosten, begrijp je?" 

Share this post


Link to post
Share on other sites

Niet doodgaan.

 

Beelden van vroeger die als flitsen in zijn onderbewustzijn voorbij schoten - hersenspinsels met herinneringen van verdriet en eenzaamheid uit zijn jeugd en de intense pijn in zijn lichaam dat rilde van de verdorven kou, maar op bepaalde plekken nog een luttele schijn van warmte bevatte dankzij het bloed dat over zijn huid sijpelde; het leek erop alsof de edele heer Damarcus op sterven lag. Het was een vervelend aanzien, het langzaam wegkwijnende lichaam van een zwaar gehavende man dat onder het bloed zat. En zo voelde dat ook. Hij beleefde hoe zijn vader hem sloeg en martelde, voelde de haat jegens hem en hoewel hij het uit probeerde te schreeuwen, was er geen enkel geluid hoorbaar. Het was een illusie, een hallucinatie, een manier van zijn lichaam om de pijn te koppelen aan het onderbewustzijn. Het was afgrijselijk.

 

Niet doodgaan.

 

Het was een stem, zacht hoorbaar in de verte, die hem terug naar de realiteit haalde vanuit zijn macabere wanen. Hoe lang had hij er gelegen? Was het bloed al gestold? Kon hij zijn ogen openen? Ja, dat lukte. Het waren nog steeds zonnestralen die hij zag door de bomen en ze leken feller te zijn, dus heel lang had hij er niet gelegen. Een uur wellicht, misschien twee? Zou het 10 uur s ’ochtends ongeveer zijn? Hij wist het niet. Helder nadenken was op dit moment sowieso niet één van zijn beste kwaliteiten. Daarbij kwam ook nog eens het feit dat hij aan het hallucineren was, toch? Want hij kon zich toch niet bewegen, voelde zijn lichaam niet eens meer. Het was alsof iemand hem duwtjes gaf, hem half draaide en aan zijn kleding trok, of wat er nog van over was. Er was iemand bij hem, iemand die hem dingen riep. Onsamenhangende woorden die samen een zin moesten vormen, alleen die gevormde zin kwam niet helemaal binnen. Het was een vrouw, dat kon hij horen, maar wat ze van hem wilde begreep hij niet. Ze klonk boos, alsof ze hem nog wel even wilde helpen naar zijn graf, alsof ze wel even het gat voor hem zou graven. Wel naast hem, want anders moest ze hem zo ver rollen. En dan, na een paar uur zouden de beestjes aan hem beginnen te knagen. Of had hij zich vergist, wilde ze hem toch helpen? Waarom klonk ze dan zo ontzettend boos?

 

Niet doodgaan.

 

Hij begreep het wel, als hij niet geholpen zou worden. Hij bevond zich aan de rand van Knoydart, op een plek waar niet echt edele mensen leefden, waar rijkdom een mythe was en de meeste mensen hem nog een trap na zouden geven als ze hem hadden ontdaan van zijn galjoenen en gouden items. Gewoon nog even een trap zodat ze zeker wisten dat hij dood zou zijn en hen niet meer op zou zoeken. En waarschijnlijk was deze vrouw dat ook aan het doen en hoefde hij alleen nog maar te wachten op die ene trap, die maar langer en langer uitbleef. De woorden die ze had gevormd bleven maar in zijn hoofd spinnen en na enkele seconden, wellicht wel minuten, drong tot hem door wat ze zei. Slimme meid, zo zou hij het ook hebben aangepakt. Nu moest hij alleen nog maar duidelijk maken dat hij de deal accepteerde. Het was een kreun dat klonk, en ergens in die kreun lag een vraag om hulp verborgen. Hij zou haar echt wel belonen, zou zelfs zijn villa voor zijn leven weg willen geven. Hij had immers toch genoeg galjoenen. En als ze echt teveel eiste, kon hij het haar altijd nog weigeren en haar beheksen met één of andere duistere vloek. Misschien moest hij dat sowieso maar doen. Uitstekend plan Damarcus. Chapeau!

Share this post


Link to post
Share on other sites

De man was er erger aan toe dan ze had gedacht. Hij kon niet eens de kracht opbrengen fatsoenlijk op haar vraag te antwoorden. Zijn gekerm kon zoveel betekenen, een vraag om hulp, of een smeekbede de pijn voor eeuwig te stoppen. Hoe kwam hij zelfs aan die deze verwondingen. Het leek haar niet plausibel dat hij ze bij zichzelf  had aangebracht. Misschien was hij aangevallen door een wild dier, een wolf of een beer, maar zoiets gebeurde vrijwel nooit. Ze zou het hem kunnen vragen natuurlijk, zodra hij beter was, maar in feite had ze zo haar twijfels. Deze man zag eruit als een hoop problemen, al besefte Joe dat het te laat was om hem nu te laten liggen. Haar magie was reeds over hem verspreid. Het ministerie zou het lichaam meteen aan haar kunnen linken. 

 

"Ok ik interpreteer dat als een ja. Nog even doorbijten ik breng je naar men huis." Waarom was ze altijd zo impulsief. Ze had nooit naar hem toe moeten gaan, maar voor spijt was het nu te laat. Voorzichtig legde ze een arm onder zijn schouders en onder zijn benen. Ze had wel vaker levenloze lichamen getransporteerd. Het missen van voldoende spierkracht was zeker niet haar probleem. Dit was echter een lastigere situatie. Wanneer je jezelf ging ontdoen van een lichaam maakte het niet uit of je het onderweg een paar keer liet vallen of het alvast versneed voor makkelijker transport. Deze man was nog in leven. Een misstap en dat zou voor eens en altijd kunnen veranderen. Waarom nam ze hem trouwens mee naar haar huis. Dan zouden haar ouders ook verantwoordelijk zijn. Bij het zien van hem alleen al zou er weleens een bom kunnen barsten, de druppel die de emmer deed overlopen. Daarom dat ze in plaats van naar huis te gaan, koers zette voor de enige pub in het dorp. Op dit uur waren alle klanten reeds weg maar de uitbater was vast nog bezig met het poetsen van de glazen. Johanna kende hem goed. Ze had het grootste deel van haar jeugd doorgebracht in deze bruine kroeg. Het goeie aan hem was dat hij nooit veel vragen stelde. Hij nam aan dat mensen wel een reden hadden om de dingen te doen die ze deden. 

 

"Samuel, Samuel doe open." Ze stampte met haar voet tegen de deur, haar handen waren immers nogal vol. De man keek haar verbaasd aan. "Nee ik heb dit niet gedaan. Ik probeer hem alleen te helpen. Ja ik weet dat dat stom is. Mag ik de achterkamer gebruiken?" Ze wachtte niet op antwoord want haar armen waren dusdanig aan het verkrampen dat ze het gewicht niet veel langer zou kunnen houden. Ze legde hem neer op een bed in één van de kamer die Samuel verhuurde, haastte zich naar huis om snel wat helende toverdranken mee te graaien en draaide eenmaal terug de deur van de kamer op slot. Ze verwachtte niet dat hij naar binnen zou komen, maar zo'n dingen wist je nooit zeker. Een dreuzel haar magie zien beoefenen hoefde ze er echt niet nog bij te hebben. 

 

"Ok laten we eens kijken." Johanna had nog altijd veel problemen met lezen. Het effect van de dranken wist ze vooral door in haar herinneringen te graven, te zoeken naar wanneer ze ooit op haar waren gebruikt. Het waren geen sterke middelen. Basis helende brouwsels voor wanneer kinderen thuiskwamen met een diepe schram. Echter er was er één die weleens nuttig kon zijn. Een toverdrank die ze gebruikten wanneer iemand tijdens het werk in zijn hand had gesneden. Het deed wonderen bij diepe snijwonden. Het was geen prettig gevoel, alsof tientallen naalden zich door je huid boorden en deze aan elkaar hechten, maar je moest er wat voor over hebben om te blijven leven. Ze tilde zijn hoofd naar achter en druppelde wat toverdrank in zijn mond, daarna gaf ze hem ook nog enkele druppels 'blood replenishing potion'. Ze was geen heler, handelde op  haar logische boerenverstand. De kans was groot dat hij het alsnog niet haalde. Al moest hij maar zorgen dat hij in leven bleef want zij ging echt niet terug de gevangenis in. Zeker niet onschuldig. 

Share this post


Link to post
Share on other sites

Verwonderd was hij vooral door de kracht dat het meisje bezat. Hij was een lang gestalte, had oude zware botten en mager kon hij zichzelf ook niet meer noemen. Niet dat deze bewondering zijn prioriteit had, aangezien de doordringende pijn steeds heftiger leek te worden bij elke stap die ze verzette met hem in zijn armen. Seneca was een trots man, dus was het maar goed ook dat hij na tien meter wegviel uit de realiteit en teruggetrokken werd in zijn spookachtige en pijnlijke nachtmerries. Die waren inmiddels toch geen onbekend terrein meer en dan hoefde hij er niet bewust van te zijn dat hij door een jonge vrouw getild werd naar god-weet-niet-waar. ‘Nog even doorbijten’ had ze gezegd en dat advies had hij zeker opgevolgd, aangezien de binnenkant van zijn mond inmiddels een bloederige massa was geworden. Hij zou niet huilen, niet het uitschreeuwen of maar aan iemand laten zien dat zijn lichaam de pijn niet aan kon. Zijn ego was daar toch echt te groot voor.

 

Toen hij zijn ogen weer opende lag hij in een bed en voelde hij hoe twee groene kijkers naar hem staarde. Niet naar hem, richting zijn ogen, maar ze bekeken zijn lichaam, zijn wonden. Hij zei niks, observeerde haar alleen maar en probeerde een beetje in de gaten te houden of ze hem niet zou vergiftigen. Waarom hij dat deed wist hij niet, want dood ging hij in deze staat toch wel. Het was zijn instinct, wellicht. Dit keer keek ze wel naar hem en ondersteunde zijn hoofd, terwijl ze wat in zijn mond druppelde. De pijn die ontstond zodra hij zijn mond weer sloot was afschuwelijk, niet te beschrijven. Zijn hele lichaam, van top tot teen leek in brand te staan, terwijl elke ader heel langzaam verschroeid leek te worden. ‘JE VERMOORD ME!’ schreeuwde hij uit met wijd opengesperde ogen. Hij greep naar haar arm, zette zijn botte nagels in haar vel, terwijl hij met de rest van zijn hand stevig kneep – zijn andere hand vastgeklemd in het beddengoed. Het was een wanhopige blik, een blik dat geen mens eerder had gezien bij Seneca. Het leek op angst. Nu moest hij sowieso van haar af.

Share this post


Link to post
Share on other sites

Create an account or sign in to comment

You need to be a member in order to leave a comment

Create an account

Sign up for a new account in our community. It's easy!

Register a new account

Sign in

Already have an account? Sign in here.

Sign In Now

Sign in to follow this  

  • Recently Browsing   0 members

    No registered users viewing this page.

×