Jump to content

Owain Cadwgan

Magisch Verbond
  • Content count

    99
  • Joined

  • Last visited

  • Days Won

    6

Owain Cadwgan last won the day on February 9

Owain Cadwgan had the most liked content!

About Owain Cadwgan

  • Rank
    Looks are important, but blood tells all

Profile Fields

Recent Profile Visitors

688 profile views
  1. [1838]You build your fortress and I'll climb your walls

    Zoveel kinderen en geen idee waar ze zich bevonden! Wat had je aan nakomelingen als je ze kwijt raakte? Dat was wellicht wat hypocriet (al schrok een man als Owain daar overigens niet voor terug) maar de grip proberen te behouden was wat anders dan dat je in het geheel niet wist waar ze waren. Niet dat deze situatie hem niet goed uitkwam – maar als zij beter op haar nazaten had gelet, dan was deze hele situatie er wellicht niet geweest. Misschien kon hij haar zelfs persoonlijk aansprakelijk stellen voor dit kwaad. Hm.. “Ik probeer mij bezig te houden met het herstellen van de ingedeukte eer van mijn familie, mrs. Lennox. Uw kleindochter heeft niets met mijn familie te maken en ik niets met haar” sprak Owain loom, terwijl hij nog een slokje van zijn thee nam. Ooit hadden ze een pact gesloten - maar dat was vijftig jaar geleden. Hij had er geen problemen meer mee om tegen Helena te liegen. Daarbij had hij de twee in zijn Kerkers laten opsluiten maar was hij er zelf niet geweest, dus hij wist niet precies in welke cel ze zich bevonden. Dus technisch gezien... “Dus nee, Mrs. Lennox. Ik weet niet waar uw kleindochter zich bevindt. Als ik daarachter kom zal ik er persoonlijk voor zorgen dat ze voor uw deur wordt afgezet, u heeft mijn woord.” Even leunde hij wat achterover terwijl hij haar bestudeerde. “Mag ik vragen wat u met haar van plan bent, mocht u haar vinden?” Hij glimlachte even onschuldig. “Ik heb nog wel contacten bij een afgelegen klooster in Frankrijk, mocht u daar interesse in hebben.”
  2. [1838]You build your fortress and I'll climb your walls

    “U weet waarschijnlijk beter dan ik met wie uw kleindochter zich inlaat” sprak Owain rustig, na een korte stilte. Hij wilde de vrede bewaren, maar hij wilde haar ook duidelijk maken dat er grenzen waren in de hoeveelheid informatie die hij haar verstrekken zou. “Ik kwam te laat om de specifiteiten van het voorval mee te kunnen maken, maar de schade was niet mals. Een explosie, hm? Of dat was zoals de Ochtendprofeet het beschreef.” Zoals ze heus wel zou weten, maar hij zou haar wel de kop van de krant toespelen als ze dat per se wilde, hoor. “Ik heb de schade vergoed omdat ik de huidige.. hm, situatie tussen onze families niet erger wilde maken dan het al is.” Uit de goedheid van zijn hart! “Uw kleindochter speelt een gevaarlijk spel, Mrs. Lennox. Een spel waarin ze haar vingers lelijk kan branden. En ondertussen staat het slecht voor u, slecht voor mij…” Hij leunde wat achterover en keek haar aan, een moeilijk te doorgronden uitdrukking in zijn grijze ogen. “Dus wat ik eigenlijk wil zeggen is, nuja..” Hij nam een slokje thee, maar trok zijn blik niet van haar af. “Ik deel uw zorgen.”
  3. Het was op zich niet erg dat Aria vragen stelde. Hij snapte het wel, al moest ze natuurlijk niet teveel vragen stellen; hij moest wel het idee hebben dat ze hem voldoende vertrouwde om de belangrijke beslissingen te nemen – ze bleef nu eenmaal een vrouw. Maar hij was best bereid in dat vertrouwen te investeren, dat kwam nu eenmaal niet vanzelf. En met het geven van deze informatie werd dit alles gedeeltelijk ook haar zaak, dus enige geruststelling was wellicht op de plaats. Daarbij konden de tekst en uitleg hem in dit geval eigenlijk alleen maar ten goede komen. “Lady Josephine's ouders hebben besloten het contact te verbreken, zodat haar reputatieschade zich niet verder over de familie uitspreidt” sprak Owain rustig, terwijl hij zijn kravatte wat strakker trok. “In ieder geval voor nu, dan. Ze vinden de… schande te groot.” Hij rechtte zijn rug en keek Aria aan, een berekende blik in zijn grijze ogen. “Het zijn dreuzels. Ik verwacht geen problemen, maar mochten die zich wel voordoen…” Owain glimlachte geruststellend en nam nog een slokje van zijn drankje. Het zou niet de eerste keer zijn dan hij magie gebruikte binnen Gordon Castle, al lag het contact tussen de Gordon-Lennoxen en de Cadwgans op het moment wellicht wat gevoelig. Zijn blik volgde Aria terwijl ze heen en weer liep door de kamer. Het kalmeerde hem enigszins, voor zover hij al enige spanning voelde. Owain leunde wat achterover in de luxe sofa. “Dat is niet mijn eerste inclinatie” antwoorde hij neutraal op de vraag wat hij van plan was met zijn gevangenen. “Miss Lennox geeft… overlast.” Even glimlachte hij onschuldig. “Aria… zoals je weet is jouw broer haar advocaat. Kan je mij wellicht vertellen ten hoe zeerste hij aan dit meisje.. hm..” Even maakte hij er spelletje van om naar het juiste woord te zoeken. “.. is gehecht?”
  4. “Ah” glimlachte Owain, die haar dichterbij trok en een kus gaf op haar wang. Hij draaide zich voor een kort moment van haar weg om zichzelf te bekijken in een hoge spiegel aan zijn rechterzijde, maar ze had hem adequaat opgelapt. “Aria - mijn steun en toeverlaat.” Hij sloeg zijn arm om haar heen en leidde haar enkele stappen richting de uitgang van hun slaapkamer, maar bleef stilstaan toen ze hem de vraag stelde of ze iets weten moest. Dat was geen slechte vraag; in ieder geval dwong het hem op dit moment kleur te bekennen. De Graaf liet haar los en keek haar voor een moment schattend aan. Hij had al bedacht dat hij het haar vertellen moest, maar had liever iets meer tijd gehad om het verhaal in de goede orde over te kunnen brengen. Maar dit was niet erg. Hij had zijn eerdere vrouwen nooit in zijn zaken betrokken, maar Aria was… anders. Owain veranderde van richting en liep naar de grote schouw, waar een haardvuur zacht in brandde. Rustig trok hij de kurk van een fles met amberkleurige inhoud, waarna hij twee glazen inschonk. Hij gaf er één aan Aria en nam zelf een slok uit de ander, zijn grijze ogen op haar gericht. “Ik heb mijn kleinzoon en Miss Lennox beneden in de kerkers opgesloten” sprak hij uiteindelijk, haar reactie peilend. “Was niet geheel de bedoeling, maar het kon even niet anders. Lady Josephine ligt in Keane’s vleugel. Er missen wat van haar vingers, maar voor de rest komt dat wel goed.” Even liet hij de rokerige smaak van de Dragon’s breath op zich inwerken. Er ging niets boven een glas van het spul - helaas was de literprijs vorige maand weer gestegen. 55 sikkels voor een halve liter! “Ik wil ze hier in ieder geval laten totdat die baby is geboren. Daarna… nuja.” Hij walste het drankje in het glas. “Daar heb je niets op tegen, hm?” Niet dat dat iets zou uitmaken. Maar het was toch fijn als je vrouw het met belangrijke beslissingen in je leven eens was.
  5. [1838]You build your fortress and I'll climb your walls

    Owain schonk haar een scherpe blik toen ze hem voorhield dat ze hem wél kennen zou – maar dat was natuurlijk onzin. Ja, ze waren samen opgegroeid; maar vijftig jaar veranderde iemand in een mensenleven. De dingen die je meemaakte… terwijl hij bezig was met Koning William IV een stel draken ter beschikking stellen waarmee hij de titel van Graaf had kunnen verwerven, was Helena bezig geweest met een stuk of zesentwintig kinderen baren. Verschil moest er zijn. Maar hij zei niets en leunde slechts achterover terwijl hij nog een slokje thee nam. Het was een heerlijke ceylon, met een vleugje sinaasappelschil. Theesmaken en sappige roddels waren de dingen waar vrouwen over hoorden te praten – niet over explosies die hen niets aangingen. Voor een moment keek hij haar aan, zijn grijze ogen scherp en onderzoekend. Ze vroeg nu al teveel vragen dan goed voor haar kon zijn. Maar hij had natuurlijk ook wel gedacht dat dit de reden van haar komst was geweest. “Mrs. Lennox…” sprak hij, plotseling meer afstandelijk. “Zoals u vast weet, gezien uw familiariteit met betrekking tot mijn karakter, hebben de Cadwgans vele vijanden. Afgelopen week heeft er een incident plaatsgevonden waar mijn aanwezigheid kort bij werd vereist.” Hij glimlachte zuinig. “Zonder op een uitspraak af te gaan omtrent de schuld van enige partij, is de schade is vergoed - mocht u daar zich zorgen over maken.” Hij zette zijn porseleinen kopje terug op het schoteltje. “U kunt mij geloven als ik u vertel dat de benodigde financiële middelen daar… toereikend genoeg toe zijn.” In tegenstelling tot die van de familie Lennox, uiteraard.
  6. [1838]You build your fortress and I'll climb your walls

    Nood breekt wet, hm? Owain had haar woorden niet nodig gehad om het vermoeden te bekomen dat er zoiets dringends gaande was dat Mrs. Helena Lennox het noodzakelijk had geacht om langs te komen, en hij kon natuurlijk wel gissen waar ze op doelde. Dat betekende niet dat hij haar een enkele strobreedte ruimte zou gunnen, natuurlijk. Hij glimlachte minzaam bij haar opmerking en wees haar vriendelijk richting een alleraardigst bankstel, waarna hij tegenover haar plaatsnam. Bedaard zette hij zijn kopje thee op het bijzettafeltje, de stiltes in het gesprek koesterend. Kalmte uitstralen, dat was wat hier belangrijk was. “Het zijn inderdaad onrustige tijden. Gelukkig is mijn nieuwe echtgenote mijn steun en toeverlaat” sprak Owain luchtig. Hij glimlachte vriendelijk terwijl hij wat achteroverleunde. Natuurlijk zei hij niets over haar huwelijk – dat had hij de afgelopen vijftig jaar niet gedaan en daar zou hij nu niet mee beginnen ook. Dat waren haar zaken en haar keuzes. De achternaam Lennox was er niet een waar hij op het moment mee geaffilieerd wilde worden; dat ze hier was, was eigenlijk al erg genoeg. Ze had hem daarnaast niets te bieden wat een minnelijke schikking rechtvaardigen zou. Dat betekende echter niet dat ze wel voor een tijdje om elkaar heen hadden kunnen draaien en het gesprek zo te twisten dat ze alletwee wel wisten waar ze het over hadden, maar het niet hardop zeiden. Er was geen reden om gelijk al naar de daadwerkelijke reden van haar komst te springen. Ze was het spelletje verleerd, zoveel was wel duidelijk. “Ik denk dat u mij in het geheel niet kent” sprak Owain, nog steeds met een beleefde, afstandelijke glimlach op zijn gezicht die zijn grijze ogen net niet bereikte. “U zult mij moeten excuseren, maar ik heb iets meer informatie nodig.” Hij leunde wat achterover nam rustig een slokje thee. “Is er soms iets gebeurd?”
  7. [1838]You build your fortress and I'll climb your walls

    Owain had duidelijk aan zijn personeel doorgegeven dat hij niet gestoord wilde worden – zo moeilijk was dat toch niet? Nu Aria er vandaag niet was had hij eindelijk tijd om zijn administratie te doen en na te denken over de tussenstand en het vervolg in bepaalde zaken. En dus had hij zichzelf opgesloten in zijn hooggewelfde kantoor, waar hij zich een plaats aan zijn grote bureau verwierf tussen de stapels perkament en boeken met lederen kaften. En toch werd zijn werk iedere keer weer onderbroken. Dan was het weer een spoedbrief van de oude sultan van Azerbeidzjan die wilde weten hoe het met zijn levering stond, dan weer dringende zaken op het Ministerie die zijn aandacht vergden. Dus toen hij voor de derde keer tegen zijn wil in werd gestoord moest hij zich inhouden niet naar zijn toverstaf te grijpen. “Lord Radnor, het gaat om-“ “Ik heb gezegd, géén bezoek!” John bleef echter rustig, een blanco uitdrukking op zijn gezicht. Waarschijnlijk was hij er door de rest van het personeel door gemaand te komen, wetende dat John de enige was die de boodschap zonder kleerscheuren over zou kunnen brengen. “Er moest worden doorgegeven dat ene ‘Helena’ hier is om u te zien, my Lord. Ik heb slechts een vluchtige blik van haar kunnen opvangen, maar…” De man rechtte zijn rug wat. “…volgens mij gaat het om Mrs. Helena Lennox.” De Graaf staarde zijn butler geïrriteerd aan, voordat hij wat ontspande en zich in zijn stoel achterover liet zakken. Hij zette zijn vingertoppen tegen elkaar en liet zijn blik nietsziend door de grote ramen naar buiten glijden. Helena? Het was wellicht te verwachten geweest – hij had niet iedereen het zwijgen kunnen opleggen die Evangeline in het café aan de Wegisweg had gezien. Aan de ene kant was het een risico om haar te ontvangen, aan de andere kant zou het wellicht verdacht zijn om haar te weigeren. Op een heel ander level was hij ook wel weer nieuwsgierig. “Laat haar binnen” beval hij John. “En breng haar naar de zitkamer. Houd haar in de gaten zodat ze niet ronddwaalt – ze is bekend met Cadwgan Castle. Ze zal even moeten wachten, zoals ieder onaangekondigd bezoek.” Het was niet goed om al te snel reageren op ongewenste bezoekers; straks kregen ze nog last van vreemde noties, zoals dat ze dachten dat je niets te doen had. Ongeveer 25 minuten later stapte Owain de rijkbewerkte trappen af naar de ontvangsthal, waarvandaan hij zich eerst liet aankondigen voordat hij de zitkamer binnenkwam. Hij zag dat Mrs. Lennox reeds was voorzien van een kopje thee – dat was goed. Hij wilde dat ze zich hier thuis voelde, zoals ze zich eens had thuis gevoeld. “’Helena’ – ik had zo mijn vermoedens” sprak de Graaf met een afgemeten glimlach op zijn gezicht, voordat hij kort boog. “Ik moet zeggen dat ik niet had verwacht u ooit weer op het bordes van Cadwgan Castle aan te treffen.” Dat was geen verwijt, maar een observatie – maar wel een met een nagalm. Owain pakte eveneens een kopje thee aan welke hem werd aangeboden en schepte wat suiker in het kopje. Het goud van zijn nieuwe trouwring glinsterde in het zonlicht dat door de ramen naar binnenkwam. "Hoe maakt u het?" Hij liet zijn grijze ogen bestuderend over haar heen glijden. Ze was oud geworden - maar waren ze niet allemaal oud geworden? Nuja, behalve diegenen wiens hart was gestopt met kloppen en werden vervangen door een model zo'n dertig jaar jonger. "Als u hier komt om mijn nieuwe echtgenote te ontmoeten, dan moet ik u helaas teleurstellen” merkte hij plezant op, alsof ze geen reden had gehad voor haar komst en ze elkaar niet de afgelopen vijftig (!) jaren niet meer dan vluchtig hadden gezien. “Ze heeft vandaag bezigheden elders.”
  8. [1838] ‘Till Death Do Us Part

    Owain knikte instemmend, een zweem van heugelijke tevredenheid in zijn grijze ogen. Vandaag was een vrolijke dag; hij had geen problemen verwacht bij deze Eed, maar je wist het maar nooit. Als pater familias had hij het voor het zeggen, maar het leek de laatste tijd (vooral aan zijn erfgenaams zijde) dat zijn wensen toch steeds weer werden doorkruist. Deze wens was in ieder geval in vervulling gebracht, tezamen met de gouden ring die nu aan Aria’s hand glitterde. En toch, toen Aria haar vraag opwierp, had hij haar bijna met een fronsende blik de tegenvraag toegeworpen. Want wás er dan soms nog een belofte die hij haar moest dwingen te maken? Was er een vlak waarop hij haar niet vertrouwen zou kunnen, anders dan de ‘formaliteit’ waar hij haar zojuist aan onderworpen had? Voor een moment hield hij stil, terwijl hij deze mogelijkheden een voor een de revue liet passeren; maar dit was toch de belangrijkste. Hij had van zijn vader geleerd dat Onbreekbare Eeden moesten worden bewaard voor slechts die meest cruciale onderwerpen in het leven, want anders zat je ook weer opgescheept met een stel lijken waaromtrent je de herkomst moest verklaren. Onzinnige Onbreekbare Eeden konden voor schuldigverklaringen in de moord- en doodslag sfeer zorgen bij lange justitiële procedures op het Ministerie, zoveel was al jaren wel duidelijk - en daar had hij toch weinig zin in. Er waren andere manieren om je zin te krijgen buiten een Onbreekbare Eed om - de daadwerkelijke dood van een persoon hoefde daar niet vaak aan te pas te komen. Maar soms... soms was het precies het goede middel op precies het goede moment. “Ja” sprak hij dan ook, even finaal als zij hem zojuist beantwoord had. De draden werden warm en begonnen te gloeien, voordat ze met een zachte plof in rook opgingen. De Eed was gesloten. “Dat was het. Dankjewel voor je begrip.” En ter bezegeling van hun huwelijk en de andere contracten die ze vandaag hadden gesloten, boog hij zich naar voren en drukte hij een kus op haar bloedrode lippen.
  9. 18 april 1838, rond etenstijd Cadwgan Castle Owain Cadwgan was geen man die fouten maakte. Hij was iemand die problemen voorzag en ervoor zorgde dat onverwachte gebeurtenissen hem niet overkwamen. Nu was dat natuurlijk niet altijd mogelijk. Soms liep een situatie verkeerd, soms kon het niet anders. Maar in dat geval was er meestal wel een oplossing. Het was eigenlijk altijd een mogelijkheid om brieven te schrijven aan de juiste personen, om hier en daar aan wat touwtjes te trekken en druk te zetten. En al had hij deze keer niet de beschikking over Daniel Bennett – ach. Vroeger had hij Daniel ook nooit nodig gehad! Hij kon het heus wel zonder zijn vaste advocaat. Er waren genoeg anderen. Technisch gezien kon dit ook niet als fout tellen. Het was natuurlijk ook in het geheel geen fout geweest, als Aria gewoonweg een uur later hun gemeenschappelijke slaapkamer was binnengewandeld. Hij had daarnaast nooit eerder zulke bemoeizuchtige (oke, nee, medelevende) echtgenotes gehad; wist hij veel dat het ook anders kon. Zijn vorige vrouwen hadden hem altijd met rust gelaten zodat hij hen met een iets te brede glimlach kon toeschuiven dat alles goed was en ze zich nergens zorgen over hoefden te maken. Maar hij had gelijk al door gehad dat Aria anders was; was ook gedeeltelijk waar hij haar op uit had gezocht, natuurlijk. Dat kon goed en fout uitpakken, maar vooralsnog was het enkel het eerste geweest. In ieder geval; hij was nog niet klaar. Owain had zijn kravatte wat losgetrokken maar was juist bezig met zijn laatste brief, de uil geduldig wachtend op de leuning van de stoel naast hem. De Graaf zat gezeteld aan zijn schrijftafel in een van de persoonlijke kamers welke aan zowel hem als Aria toebehoorden op de eerste verdieping van Cadwgan Castle, het wijdverbreide Welshe landschap schitterend in een waterig zonnetje. Maar de Graaf besteedde geen aandacht aan het prachtige uitzicht door de hoge ramen terwijl hij met een serieuze blik in zijn grijze ogen de krullerige letters met de scherpe adelaarsveer vormde. Deze brieven moesten er nu uit, voor al het andere… en dat maakte dat hij nog geen tijd had gehad om een nieuw gewaad aan te trekken en de bloedvlekken door de huiselven eruit te laten wassen. Gelukkig waren de beesten daar ondertussen wel aan gewend. Owain was juist bezig de rol perkament strak op te rollen en in het lederen kokertje aan de poot van de uil te binden, maar dat was het moment dat hij de voetstappen hoorde. Het leek te laat om op dat moment nog een vluchtige poging te doen zich wat op te knappen. In plaats daarvan opende hij op zijn gemak het raam en keek hij hoe de uil vlucht nam, voordat hij zich loom richting zijn echtgenote omdraaide. “Aria” glimlachte hij, joviaal voor zijn doen. Hij gaf haar een beleefd hoofdknikje. “Het spijt mij, maar ik heb nog geen tijd gehad om mij op te frissen.” ‘Opfrissen’ was waarschijnlijk het minste wat hij in deze situatie kon doen. Zijn normaal zo strakke, keurige gewaad zat onder het bloed (van zijn aangetrouwde kleindochter, Josephine), was hier en daar ietwat groezelig door de meer nabijgekomen vervloekingen (van Daniel, in het café), hij had boven zijn oog een kras (wat ergens in de verdwijnselchaos was gebeurd) en bovenal zat hij redelijk onder het stof, want de kerkers waren niet de schoonste ruimtes van het kasteel. Zou ook een beetje het doel misstaan, overigens. “Misschien kan je even beneden wachten? Dan kom ik zo bij je.” Hij kon het altijd proberen. OOC: Dit topic is het vervolg op Meet me on the Battlefield. Prive met Lily! En dank aan Irene voor de topictitel~
  10. [1838] ‘Till Death Do Us Part

    De Graaf gaf zijn kleinzoon een korte hoofdknik als blijk van tevredenheid (zie, Owain Cadwgan deed ook aan positive reinforcement!) en keek Aria toen aan. Zijn nieuwe vrouw was daadwerkelijk de knapste en meest listige van al zijn echtgenotes. Het kon zijn dat hij wellicht ooit zijn keuze zou berouwen, maar op dit moment had hij hier met niemand anders willen staan. “Aria” begon Owain, terwijl hij in haar hand kneep en de warme, gouden draden zich rond hun vingers begonnen te spinnen. Ze wist wat komen ging; moest het hebben verwacht. Ondertussen begonnen de klokken ver boven hen te luiden, in de toren van de kerk. Ze hadden niet heel veel tijd. Nog even, en dan zou het publiek bestaande uit de halve magische toverwereld verwachten dat ze als gelukkig stel naar buiten zouden komen. Hij schraapte zijn keel en glimlachte, terwijl de gouden draden knetterden en zich steeds nauwer om hun handen weefden. Het was inderdaad slechts een formaliteit - maar wel een belangrijke. “Beloof je dat jij mij, noch leden van de familie die je nu ook de jouwe noemen mag, op dit moment of in de toekomst nooit iets zal aandoen?”
  11. [1837/1838] Meet me on the battlefield

    Professionele hulp? “Zodat mensen zoals jij haar kunnen verzorgen, zeker” sprak Owain, minachting in zijn blik terwijl hij nogmaals naar Josephine keek. Toen Keane was gebeten door een van zijn draken had hij toegestaan de jongen naar St. Holisto’s te brengen – waarschijnlijk had hij zijn erfgenaam zelf wel kunnen helpen al was zijn letsel gecompliceerd geweest, maar in dat geval had hij gewoonweg niet de schijn willen wekken dat hij iets in de doofpot aan het stoppen was. Het was al zo’n schimmige situatie geweest, met de verwikkeling door de erfgenaam van de Gordon-Lennoxen en een van de illegale draken op het landgoed tijdens dat grote bal… het verbaasde hem nog steeds hoe goed dat uiteindelijk was uitgespeeld. Maar zijn schoondochter was verre van vergiftigd door een stel tanden die diep in haar schouder waren gezonken; nee, in plaats daarvan was het letsel oppervlakkig en hij zat heus wel goed genoeg in zijn heelspreuken dat hij daar geen helers voor nodig had. Owain rechtte zijn rug toen ze zei dat ze niet versprokkeld was. Het was plausibel dat ze niet loog, daar ook Keane heel was overgekomen. Daarnaast zou hij later wel verifiëren hoe het met die baby zat; nu de toestand van Josephine redelijk stabiel was, was het belangrijk dat ze hier nu wegkwamen voordat ze zouden worden ontdekt. Hij had niet veel zin om te moeten uitleggen waarom de Graaf en Burggraaf van Radnor, inclusief het schorem wat hen had durven aanklagen, in een voorraadschuur werden aangetroffen in het gezelschap van de zwaargewonde oudste dochter van de Hertogen van Aubigny. Was heus wel een verklaring op te verzinnen hoor; maar als het even kon, dan liever niet. Op het moment dat hij richting een van de deuren wilde lopen om te bezien of deze uiteindelijk uitkwam op de straat, en wel op zulke wijze dat er redelijk gemakkelijk en zonder al teveel opvallendheid een magische koets in de ruimte zou passen (wat op zich wel zou moeten, gezien de schuur eruit zag als deel van een groter pakhuis), spuugde het kind recht in zijn gezicht. En Owain, die van alle mensen zijn vrouw in een opwelling had vermoord, reageerde daar niet al te best op. Oke, misschien had hij wat moeten leren van het laatste incident, maar toegegeven… dat had hij ook wel gedaan. Evangeline viel niet dood neer, namelijk. Was ietwat lastig te verklaren geweest en jammer van de moeite. Wel bleek hij zichzelf toch nog steeds niet helemaal onder controle te hebben, en in een uithaal van woede verscheen een oppervlakkige, rode, ietwat bloederige striem over het gezicht van meisje waar Owain zijn koude en grijze ogen op liet rusten, geen spoor van spijt in zijn blik gevuld met haat en afgunst. Het zou weer iets zijn om uit te leggen. Maar het kon net zo goed zijn gebeurd bij haar aankomst, hier. “Ik kan mij niet herinneren dat de toestemming om mij te tutoyeren ooit aan u is verleend” sprak hij ijzig, terwijl hij zijn rug rechtte en op zijn gemak zijn zakdoek uit zijn borstzak trok, waarmee hij de klodders wegveegde. Dit rechtvaardigde een lang bad – in het gezelschap van Aria, als het even kon. “Ik weet niet hoeveel waarschuwingen ik u nog kan geven, Miss Lennox. Mocht u niet bang zijn voor uw eigen hachje…” Hij glimlachte even koud. “Dan mag u zich wellicht zorgen maken over die van mijn kleinzoon – of die van uw ongeboren kind.” Op dat moment hoorde hij echter geluiden, en vlug wierp hij een blik door een stoffig raampje dat was uitgesneden in de deur die uitkwam op de ruimte hiernaast. “De koets is hier!” verkondigde Owain, een miniem doch goed verhuld spoor van opluchting in zijn stem, voordat hij de deur opende zodat zijn huiselven hem konden helpen met de levenloze lichamen van zijn kleinzoon en schoondochter. Zelf bleef hij echter bij Evangeline staan en zwaaide hij kort met zijn toverstaf. “Het spijt mij, Miss” sprak de Graaf bot, al bleek dat nergens anders uit. “Maar ik reis liever in stilte” – waarmee hij het meisje het zwijgen oplegde. Hij had rust nodig, en ruimte om na te denken. Het was allemaal wat anders gelopen, maar het scorebord leek meer in zijn voordeel dan hij een uur geleden had gedacht. Het was tijd om de wonden te helen en de eindstand op te maken. Het was tijd om terug te keren naar Cadwgan Castle. OOC: Uitgeschreven!
  12. [1837/1838] Meet me on the battlefield

    Hij had met zijn vingers de arm van Josephine kunnen omsluiten – maar het was niet voldoende. Hij had haar niet goed vast, kende de risico’s van versprokkelen en, het belangrijkst misschien… had eerder in een situatie zoals deze verkeerd. Hij wist dat het enkel om seconden ging en greep in de nauwe, donkere verdwijnselsituatie naar voren, wist datgeen te bereiken waarvan hij dacht dat het Evangeline Lennox was en probeerde haar los te trekken van de rest, probeerde zijn grip op haar te verzekeren zodat hij kon verhoeden dat de situatie zou aflopen zoals Keane het had bedacht… En het lukte hem – tenminste, in zoverre dat hij zichzelf van de overtocht had verzekerd, maar ten koste van zijn schoondochter. Ook de Graaf kwam hard neer op de plaats van bestemming, maar wist nog enigszins charmant overeind te blijven en wierp direct een blik uit het raam om te kunnen vaststellen waar Keane hen heen had gebracht. De kinderen vormden geen directe bedreiging en dat maakte zich lokaliseren de belangrijkste eerste stap na een reis als zojuist. Zoveel keuzes waren er niet die Keane had kunnen nemen, en hij herkende de haven als Liverpool. Logisch, maar wellicht niet het eerste waar hij naar zou hebben gezocht. Het gedrag van zijn kleinzoon was vaak verre van coherent, en dat maakte hem lastig in te schatten. Zo lastig, dat offers als dit het waard waren; zelfs als dat betekende dat het weken zou duren voordat zijn kleindochter weer de oude zou zijn. Tijd (en spreuken die de herinneringen wisten) heelden echter alle wonden. Owain liet zijn grijze ogen vlug over het drietal heen glijden, voordat hij zonder Evangeline een verdere blik waardig te gunnen naar haar staf toeliep en deze opraapte, alsof het een inferieur voorwerp was wat hij toevallig had gevonden en het slechts bij nader inzien waard was om te behouden. Met een vlugge accio had hij ook de andere toverstokken te pakken en deze stopte hij veilig weg in een binnenzak van zijn gewaad. Vervolgens struinde de Graaf richting zijn kleinzoon, waar hij zich met een geïrriteerde blik in zijn ogen overheen boog. De jongen leek bewusteloos – de sukkel. Zijn ademhaling en hartslag leken echter normaal en terwijl Owain zich omdraaide toverde hij met een nonchalante zwiep van zijn toverstaf touwen uit het niets die de polsen van de jongen achter zijn rug bonden. Zijn kleinzoon was vooralsnog zijn erfgenaam, wat een eerste behandeling rechtvaardigde; hij had echter geen zin in gevaarlijke grapjes, zeker niet nu. Zijn schoondochter, dan. Met een blik van pure afschuw staarde hij voor een moment naar Evangeline, die over het meisje heen gebogen zat. “Nee” sprak hij vrij simpel, voordat hij wederom met zijn staf zwiepte en het roodharige meisje ongeveer twee meter achteruit liet schuiven, waarna ook touwen verschenen om haar polsen te binden. Hij liet zijn blik over Josephine glijden, voordat hij voorzichtig op zijn knieën zakte en haar hoofd wat ondersteunde. Haar achterhoofd was warm en plakkerig van het bloed, wat haar haar in was gestroomd. Hij voelde zelf ook iets prikken boven zijn oog, wat betekende dat ook hij wellicht niet geheel was aangekomen. Nuja – misschien zonder wenkbrauw, of iets. Niets vergeleken met Josephine, in ieder geval. Met zijn andere hand pakte hij zijn toverstaf op een iets andere manier vast en begon hij aan de serie van ingewikkelde, mantra-achtige spreuken, de wonden helend. “Sshht” suste hij het meisje, terwijl hij haar geen onvriendelijke glimlach toebedeelde nadat het meeste van de wonden tot op zekere hoogte waren geheeld en hij de rest zo goed als mogelijk had verbonden. “Je mist alleen nog wat stukjes van je vingers, maar dat zullen de schouwers wel hebben; ik zal ervoor zorgen dat het wordt opgehaald. Nog even volhouden, en dan zul je een echt bed tot je beschikking kunnen hebben. Daar zal ik voor zorgen” Hij legde haar hoofd voorzichtig op een zak meel (ze bevonden zich overduidelijk in een voorraadschuur) en rechtte zijn rug, alvorens hij met zijn vingers knipte. Twee huiselven verschenen aan zijn zijde, die hij kortaf hun bevelen gaf. “Gravon en Duddsworth; Liverpool. Noodgeval. Probeer de magische koets van de McCullins te lenen, anders die van de Strators.” Met een harde knal verdwenen de twee weer, en met een zucht draaide Owain zich richting Evangeline, wiens kin hij ruw vastpakte en haar even goed bekeek. Haar ogen stonden redelijk helder en ze leek heel. Ergens was dat jammer. “Niet versprokkeld?” blafte hij haar toe, terwijl hij op haar neerkeek en zijn blik liet afglijden naar haar buik. “Hoe is de baby? Voel je hem nog?” Als het een meisje was, dan was dit het allemaal zo zwaar niet waard geweest.
  13. 21 maart 1838 (sorry, we gaan weer een beetje terug in de tijd) De huwelijksdag van Owain en Aria Cadwgan Net na de huwelijksvoltrekking in de kerk in Cefnllys, Wales De derde keer was scheepsrecht – of niet? Het was de derde maal dat hij het ja-woord had gegeven, de derde keer dat hij een ring aan de vinger van zijn echtgenote had geschoven, de derde vrouw met wie hij de voltrekking van het huwelijk bezegelde met een kus ten overstaan van de halve magische tovenaarswereld. Toegegeven; het was niet zijn derde verloving geweest. Maar over die eerste, over de gebeurtenis waarover men toen nog maanden had gefluisterd maar welke zich nu niemand nog kon herinneren, daar zou je Owain Cadwgan toch nooit een woord over horen spreken. Nee; alles draaide nu enkel en alleen nog om Aria. Zij was de jongste, de knapste, het meest zelf ingenomen… en daarmee ook het meest risicovol. Graaf Radnor wist heus wel dat hij een gok had genomen door haar als zijn volgende vrouw te begeren, maar hij het was een gok waarvan hij dacht dat hij deze op zijn leeftijd wel maken kon. Natuurlijk had ook hij fouten gemaakt in het verleden, maar Aria leek nu gewoon de juiste vrouw op het juiste moment. Vooral nu de situatie rond Evangeline Lennox zo gevoelig lag, met de bemoeienis van Daniel Bennett, van zijn dochter Rhiann… Maar goed. Zoals gezegd; Owain was blij met zijn keuze, vertrouwde erop dat het goed kwam… maar zoals hij dat bij eenieder deed die hij om zich heen verzamelde; vertrouwde hij haar niet. Dat lag niet geheel aan haar; de enige manier om te kunnen winnen, was om er uiteindelijk alleen voor te staan. Hij bewonderde Aria omdat zij er hetzelfde over dacht – maar dat betekende niet dat hij zich daardoor zou laten verblinden. Nee; het was nodig om scherp te blijven, zeker nu. “Keane – wat fijn dat je toch nog even de tijd kon vinden je bij ons te voegen, op deze blije dag” sprak Owain loom, een lastig af te lezen blik in zijn grijze ogen. De jongen was tezamen met de rest van de massa als een soort schaap naar buiten gewandeld, maar zijn bediende John had hem gelukkig nog net aan zijn nekharen terug kunnen slepen. Niet letterlijk, overigens. Hij accepteerde de hakkelige excuses en gelukswensen, en richtte zijn blik op Aria. De kerk was nu leeg, afgezien van hijzelf, Aria, zijn kleinzoon en de bediende. De Graaf stuurde die laatste met een soort hoofdknik naar de ingang van de kerk, om ongenode bezoekers af te weren. Had hij overigens ook gedaan met de rest van de ingangen. “Het is natuurlijk slecht een formaliteit” sprak Owain luchtig, nu Aria adresserende. Hij zette wederom een stap naar haar toe en vervlocht zijn vingers met de hare; liet het goud van de nieuwe ring glimmen in het kaarslicht, zijn eigen ring evenzo schitterend. “Maar toch zou ik je graag vragen om na de huwelijksverbintenis die wij zojuist hebben gesloten, een Onbreekbare Eed af te leggen – je snapt het vast wel.” Hij glimlachte, al bereikte de lach zijn ogen niet geheel. “Zie het als een… garantie.” Hij knikte richting de jongen, waarmee hij hem toestemming gaf wederom het altaar te beklimmen waar hij en Aria nog altijd stonden. “Keane; als je zo vriendelijk zou willen zijn?” OOC: Prive met Lily!
  14. [1837/1838] Meet me on the battlefield

    Graaf Radnor was gewend om te vertrouwen op zijn personeel – hij moest wel, als je een imperium wilde leiden zoals hij dat deed. De invloed van de Cadwgans leek dan op het eerste oog niet zo verschrikkelijk groot, maar er zat meer achter illegale drakenhandel dan je vermoeden zou; en Owain maakte vaak gebruik van de diensten van anderen om zijn macht tot in de uithoeken van Europa te laten doorvloeien om de meest zeldzame eieren te bemachtigen en voor exuberante prijzen aan te bieden op de Britse markt. Misschien was het probleem juist dat hij daarbij doorgaans gebruik maakte van de diensten van de man die hij nu zijn schoonbroer noemen moest; de machtige tovenaarsfamilies van Groot Brittannië gingen elkaar al eeuwenlang zoetjes uit de weg als ze elkanders paden kruisten op een manier waarbij ze lijnrecht tegenover elkaar zouden blijken te staan, iets dat hier voor dit moment even on hold leek te zijn gezet. Naar de aanleiding van het frustreren van die ongeschreven regel en de bemoeienis van de Bennett’s in zijn eigen aangelegenheden kon de Graaf enkel gissen, al hij wel wat ideeën – maar uiteraard was het uiteindelijk zijn eigen ingeving geweest om Aria er zodanig bij te betrekken dat hij zichzelf in de positie plaatste om ook Daniel een hak te zetten (al wist Owain uiteraard niet in welke verstrekkende hoedanigheid hij dat had gedaan). Nuja, in ieder geval – het alles kwam erop neer dat hij dacht dat hij Mr. Bennett wel even een lesje kon leren, vanuit hun eerdere positie waarin ze elkander nagenoeg vrienden hadden kunnen noemen (met nadruk op nagenoeg) waarbij hij helaas – hij zou het later toch echt moeten toegeven! – Daniel Bennett had onderschat. Oke, er waren inderdaad wellicht iets meer tovenaars in het café aanwezig die de Bennett zijde hadden gekozen dan hij van te voren had ingecalculeerd, en al waren het er niet per se meer dan hij zelf had gebracht… ze waren wel stuk voor stuk getalenteerd. Daarbij was een gevecht voeren over de hoofden van voornoemde tovenaars verre van ideaal, al betekende het wel dat hij Daniel Bennett eens grondig onder handen nemen kon. Maar geconcentreerd als hij was op zijn stafwerk glipte zijn aandacht aangaande de imperiusvloek die hij op Miss Lennox had uitgesproken langzaam een beetje weg, en de doodsteek met betrekking tot dat staaltje spreukwerk werd toch wel gegeven toen hij zich halverwege het café bevond, een niet-onaangename grijns op zijn gezicht terwijl hij een goed gemikte tarantallegra bezwering tussen de meer serieuzere vloeken op Daniel afvuurde, en hij zich moest omdraaien omdat een enorm kabaal plotseling de geluiden van gesis en geschreeuw overstemde. Voordat iemand ook maar in beweging was gekomen stapte Owain zo vlug als mogelijk enkel grote passen naar voren naar voren, meer verbouwereerd dan hij de hele middag al was geweest. Zijn kleinzoon had het dan wel kunnen aangeven, maar hij had nooit van zijn leven verwacht dat de jongen ook daadwerkelijk zou proberen te ontsnappen – en plotseling leek er een (al dan niet kleine) kans dat het hem nog lukken zou ook. Vloekend (ditmaal verbaal) gromde Owain bezweringen in de richting van het trio, maar er stonden teveel mensen voor die hij eerst aan de kant moest duwen om nabij te komen en datgeen wat hij trachtte te bereiken miste doel. En dus rende hij, toverstaf in de aanslag, recht op de plek af waar het raam zojuist nog was geweest. Als het slechts om Keane was gegaan had Owain hem waarschijnlijk niet kunnen bijhouden, maar nu zijn kleinzoon twee vrouwen met zich mee moest slepen waarvan de een de omvang had van een kleine walvis moest het toch zeker wel te doen zijn. Toch was hij bijna te laat; door de waas van vloeken, flitsen, de rook van de olielampen en de vele mensen zag hij Keane naar buiten springen, zijn hand vervlochten in die van de ongewenste hoer, terwijl die laatste haar vingers uitstrekte naar de dochter van de hertog. Met een blik van volle, grauwe concentratie, woedend dat het drietal dacht op zulkse wijze aan hem te ontkomen, voor het eerst met een ondertoon die blijk gaf van de angst dat het ook daadwerkelijk lukken zou, overbrugde Owain Cadwgan de laatste paar meters en greep hij naar voren om zijn koude hand in een greep van ijzeren finaliteit om de bovenarm van zijn schoondochter te sluiten – precies voordat de hele groep met een luide plop verdween.
  15. [1837/1838] Meet me on the battlefield

    Owain’s wenkbrauwen schoten in een uiting van milde verbazing omhoog toen Josephine hem vertelde dat zij hier op eigen naam aanwezig was, al deed het niets om de sceptische uitdrukking van woede in zijn grijze ogen te doen verminderen. Aan de ene kant zou hij niet hebben verwacht dat het meisje in dit soort plannen zou zijn meegegaan – het was een naïef soort halsstarrigheid waar hij haar op had uitgekozen, en het stelde hem toch wel teleur als Keane haar had kunnen overhalen zijn kant te kiezen. Aan de andere kant geloofde hij haar niet, maar er was te weinig ruimte om daar nu dieper op in te gaan. Op dat moment trok zijn kleinzoon namelijk zijn toverstaf en vuurde hij enkele vloeken op hem af. Owain pareerde met een simpele spreuk – niet omdat Keane’s spreuken per se zo zwak waren, maar toch wel zo verschrikkelijk voorspelbaar – terwijl een grijns zich rond zijn lippen krulde. Hij had ondertussen half door dat Lady Josephine de schouwers aan het oproepen was, maar liet dat gaan; uiteraard hadden zijn mensen de ruimte zo ingericht dat dat soort spreuken niet door de beschermende vervloekingen heen zouden komen… of niet op korte termijn, in ieder geval. “Dus je hebt eindelijk besloten jezelf te verdedigen, hm?” sprak de Graaf dreigend, terwijl hij zijn blik op het drietal liet hangen; Evangeline aan zijn rechterkant half verdoofd door de imperiusvloek, Josephine aan de linkerkant wit weggetrokken van angst en de held van het uur recht tegenover hem, een lichte blos op zijn bleke wangen terwijl de onzekerheid er klaarblijkelijk vanaf droop, als een soort puppy die met een zweem van trots weet dat hij iets stouts heeft gedaan. “Na al die jaren heb je het toch eindelijk gedurfd – bravo. Maar ik zal je eens wat vertellen…” Hij boog zich wat voorover, een duistere doch triomfantelijke blik in zijn donkergrijze ogen. “Dit is waar het eindigt. Als je goed luistert hoeft er niemand gewond te raken. Jullie laten je toverstokken vallen en komen rustig mee naar buiten, waar wij de Wegisweg per koets zullen verlaten. Op het moment dat wij – ah!” De spreuk schampte zijn achterhoofd en in een uitdrukking van woede draaide Owain zich om. Klaarblijkelijk hadden zijn mensen hem niet genoeg rugdekking gegeven, iets waar hij hen later wel voor zou straffen. Aan de andere kant van de ruimte ontwaarde hij een tovenaar waar hij nog wel een appeltje mee te schillen had, al had hij hem tot nu toe in het openbaar moeten negeren. Natuurlijk had hij geweten dat hij hier was, maar om de verrader dan ook echt hier aan te treffen… “Ontwapen hen en houd hen hier” gromde de Graaf tegen een willekeurig persoon, voordat hij mikte en een stroom vervloekingen richting de achterzijde van de ruimte vuurde. Als Daniel Bennett over de hoofden van hun personeel een duelleerwedstrijd wilde houden, dan was hij er niet één om daar veel moeite mee te hebben.
×