Jump to content
  • Announcements

    • Theodore Whitford

      Nieuwe versie van het board!   09/23/17

      Hoi iedereen! Om te zorgen dat jullie allemaal veilig en probleemloos kunnen posten, is er af en toe een update nodig. We zijn nu overgegaan op versie 4.2, waardoor alles weer voor langere tijd goed zou moeten werken. Gaat er iets mis, laat het even weten! Liefs,   Sander

Noah Leadley

Huffelpuf Vijfdejaars
  • Content count

    295
  • Joined

  • Last visited

  • Days Won

    9

Noah Leadley last won the day on December 17 2016

Noah Leadley had the most liked content!

About Noah Leadley

  • Rank
    What can't we face if we're together?

IC Belangrijke Informatie

Recent Profile Visitors

1,734 profile views
  1. [1835/1836] Im walking on sunshine

    Jup, Noah kon niet meer stappen en gaan en dat was heel tragisch, maar Noah was ook iemand die alles nam zoals het kwam en had er bijgevolg zelden bij stilgestaan wat die tragisch van zonet zoal impliceerde. Het was permanent, maar permanent had geen betekenis als je sowieso al niet kon plannen; het limiteerde zijn mogelijkheden aanzienlijk, maar als puntje bij paaltje kwam, had hij sowieso al weinig mogelijkheden gehad, dus een paar minder maakten vast geen verschil, hè; hij had niets gedaan waaraan hij een handicap als dit zou verdienen, blablabla, hij wist niet goed wat existentiële rechtvaardigheid inhield, eerlijk gezegd, dus waarom zou hij zich ermee bezighouden? Nee, dan kon hij zich net zo goed bezighouden met leuke dingen. Zoals vooral niet met Odilia praten over hun Accident™ en, naar het schijnt, duizendpoten vangen. Nieuwsgierig bekeek hij het diertje in Odilia’s handpalm en nog nieuwsgieriger raakte hij het aan met zijn lichtjes trillende wijsvinger. ‘Laten we ze vangen, ja!’ zei hij enthousiast. En hij voegde daad bij woord en leunde prompt naar voren om er eentje te zoeken en daarmee eentje te vangen, wat ook daadwerkelijk lukte. Trots op zichzelf stak hij de duizendpoot naar haar uit. ‘Kijk! Duizendpoot! Cool, hè? Ik vind het echt stoere diertjes.’ Even speelde hij met het laatste exemplaar (die hij in zijn hoofd al Duizendgroot had genoemd omdat hij groter was dan degene die Odilia had gevonden) en toen bedacht hij zich iets heel belangrijks. ‘Zeg, Odilia, als we gaan verzamelen, hebben we dan niet iets nodig om ze in te verzamelen? Anders rennen ze toch weer gewoon weg?’
  2. Noah vond Agatha oprecht heel slim – nee, echt, Noah vond Agatha één van de slimste mensen die hij kende, al was het maar omdat ze altijd zo kalm was en overal een oplossing voor kon vinden, terwijl hij nog in de “huh, is er een probleem dan?”-fase verkeerde – maar toen ze vroeg of hij toevallig een universitaire professor kende, had hij een momentje nodig om de vraag te verwerken en dan nog eentje om haar verbaasd aan te kijken. Waarom zou hij een professor van de universiteit kennen? Hij kende nog niet eens alle leraren op Zweinstein! Was dat trouwens de bedoeling? Maar hij vergat gezichten echt heel snel, oké. ‘Nee…’ antwoordde hij, naar waarheid. ‘Maar het kan vast wel dat zij dat weten! Denk je dat we gewoon naar de universiteit kunnen gaan en daar naar een professor kunnen vragen? Vast wel toch?’ Professoren hadden vast geen druk leven, toch, ze hadden ongetwijfeld tijd voor twee leerlingen van Zweinstein die een belangrijke vraag hadden. Duh.
  3. [1835/1836] You never walk alone

    Emily! Noah had in zijn leven al een paar Emily’s de revue zien passeren en dat had hij telkens leuk gevonden, want hij vond Emily een mooie naam. Verder waren de Emily’s zelf ook gewoon leuk geweest, hoor, geen zorgen, maar zijn eerste indruk van meisjes met die naam was dus altijd goed. Op dat vlak was Noah heel gemakkelijk. Op zich was hij dat ook op elk ander vlak, maar hij vond zichzelf kritisch genoeg en dus boeide dat niet. Relativeren was best een lastig woord, vond hij zelf altijd, maar Noah was er wel fantastisch goed in. Tot op het punt dat dat eigenlijk niet meer zo goed was. ‘Ik vind Emily een mooie naam!’ zei hij opgewekt, vlak vooraleer hij zo behendig als hij zelf niet meer kon zijn op het volgende onderwerp over ging. ‘Ja! Ik zit al vier jaar op Zweinstein.’ Enigszins fier op dat aantal keek hij haar aan. ‘Ik zit in Huffelpuf!’ Schuin keek hij haar aan. ‘Zit jij daar ook? Ik heb je nog nooit op Zweinstein gezien…’
  4. [1835/1836] Mmm, whatcha say?

    Jaaaaaa, Noah had vast wel moeten vertellen dat hij van de ene op de andere dag niet meer kon stappen, maar gek genoeg had Noah er eigenlijk niet bij stilgestaan dat dat een ding was, anderen over zoiets vertellen. Het was evident geweest voor hem, tenslotte, en iedereen die hem tegenkwam, had het ook al wel door, en dus had hij zich nooit bedacht dat hij eens een brief naar Chris zou moeten schrijven om hem over het nieuws te vertellen. Want… waarom zou hij? Hij was nog altijd Noah! Hij kon alleen maar niet meer stappen. En dat was best een grote verandering, maar eh, ja, er viel niets aan te doen. Dus. Ta-da! Even keek hij nieuwsgierig naar waar Chris zoal naar gebaarde, totdat hij begreep dat hij naar hem gebaarde. ‘Dit ben ik!’ antwoordde hij behulpzaam. ‘In een rolstoel. Want ik kan niet meer stappen. Verrassing!’ Opgewekt zwaaide hij. ‘En wat heb jij in de vakantie gedaan?’
  5. Oh, dat kon wel! Enthousiast om deze openbaring keek hij Agatha aan, want kijk eens, magische uilen waren gewoon slimmer en konden daardoor lezen en een adresboekje onderhouden en wauw, waarom had niemand hem dit ooit verteld, dit was ontzettend belangrijke informatie, en toen ging ze alweer verder en naar het schijnt was de theorie nog niet zeker. Boe. Noah hield niet van discussiëren over dit soort dingen. Hij vond het leuk om dingen te leren, maar de clausule erbij onthouden dat iets kon veranderen, dat iets geen rotsvast gegeven was, die vergat hij graag. Liefst van al bestond dat ding niet eens. Sorry! Het was gewoon zoveel moeite. ‘Dat… weet ik niet,’ gaf hij toe, het muisje voorzichtig op de tafel naast hem zettend. ‘Aan wie zouden we dat kunnen vragen? Een professor? Zouden die dat weten? Misschien weet je dat als je volbloed bent of zo.’ Er was zoveel van de toverwereld waar hij geen weet van had en volbloedtovenaars wel, dus misschien zat het daar!
  6. Nee, Noah deed niet alsof het heel erg was. Dat was deels omdat het in zijn aard zat om bijna automatisch niets te registreren als Onoverkomelijk en deels omdat hij zelf nog niet echt had beseft welke gevolgen dit precies had. Hij kon niet meer stappen, ja, maar heel veel van de ongemakken die daarmee gepaard gingen konden door magie verholpen worden, en op Zweinstein, ah, op Zweinstein was een handicap als dit niet eens zo’n drama. De school was een veilige omgeving, in feite, hoeveel er ook schortte aan het concept veiligheid op Zweinstein, en bijgevolg had hij er eigenlijk nog totaal niet bij stilgestaan dat hij niet eeuwig gewoon kon rondvliegen. Ooit zou hij terug moeten naar zijn ouderlijk huis en ooit zou hij moeten bedenken dat ze de middelen niet hadden om voor hem te zorgen als hij zelf geen brood op de plank kon brengen, ooit zou hij zich moeten indenken dat hij geen idee had wat voor job hij nu eigenlijk moest gaan doen, zo na Zweinstein, want fysiek werk was altijd het enige geweest wat hij kón en eh, een geleerde worden zat er niet echt in, en ooit zou hij aan zichzelf moeten toegeven dat aan het ritueel meedoen wellicht de grootste fout van zijn leven was. Maar niet vandaag. Want hij had nog altijd niet helemaal beseft dat een verkeerd gegaan ritueel grootse gevolgen kon hebben – tot nu toe was het allemaal wel goed gekomen. Het was doodeng geweest, die eerste dag, toen hij nog helemaal niet geweten had wat er aan de hand was, toen hij van de ene op de andere dag ineens niet meer kon stappen, maar nu, nu was hij het wel een beetje gewend. Hij kon niet anders, immers. En als je niet anders kon, wel, dan deed je het gewoon. Er was ongetwijfeld tijd voor introspectie en als hij zijn best deed, kon hij vast wel de tijd vinden om zichzelf even te vertellen dat hij soort van een probleem ging hebben later, maar eh, geen zin in, en bovendien was Dream er nu en Dream was veel leuker dan zich druk maken om onzinnige zorgen waar hij later wel weer naar om zag. ‘Oh! Maar ik ben al vrolijk,’ zei hij verbaasd, maar toch wel blij, want ten eerste was het geen leugen geweest (Noah hield niet van liegen en deed het bijgevolg zowat nooit) en ten tweede werd iedereen er vrolijk van als mensen ze wilden opvrolijken, toch? Hij nam het knuffeltje aan, bestudeerde het even en probeerde vervolgens een goede opvang te bieden aan de twee ratjes op zijn schoot. Ha. Multitasken, jongens. ‘Wat ik wil doen?’ Eh. Hm. Lastig. ‘Ik wil gaan vliegen!’ besloot hij. ‘Ooooh, we kunnen een wedstrijdje doen! Jij op een bezem en ik in mijn rolstoel. Ik weet eigenlijk niet wat sneller kan, maar daar kunnen we zo achterkomen!’ En dankzij dat prachtige idee keek hij haar glunderend aan.
  7. Waren muizen ongedierte? Eh. De redenering kwam Noah niet onbekend voor, maar als een muis iemands huisdier was, dan zou het wel geen ongedierte zijn, toch? Hij wist niet zo goed hoe dat werkte, eerlijk gezegd; als iemand hem zei dat iets ongedierte was, knikte hij netjes en negeerde hij het dan weer, want ja, eh, wat moest hij precies met die informatie doen? Hij geloofde het heus wel, maar… ja, oké, leuk, maar wat kon hij ermee? Hij haalde zijn schouders op, bij wijze van antwoord, en loste zijn greep op het muisje ietwat. Agatha zag er niet meer uit alsof ze elk moment kon gaan huilen, dus ze werd vast niet opnieuw panisch als hij dat muisje niet in een houdgreep hield, toch? ‘Ja, dat is waar!’ zei hij, enthousiaster dan misschien, eh, zou moeten. ‘De tovenaarswereld is zoooo raar! Je kan echt zowat alles doen of zo, en tovenaars vinden zowat alles dat ik gewoon ben raar. Heel gek, hè? Meestal merk ik het niet zo, want ik ben het natuurlijk al wel een beetje gewend hier, maar soms merk ik wel echt dat tovenaars een heel andere wereld hebben dan wij, vind je niet?’ Dat was zo ongeveer wat Agatha had gezegd, maar hey. ‘Zoals die uilenpost! Die snap ik echt niet. Waarom uilen? En hoe werkt dat eigenlijk? Hoe weten die uilen waar ze naartoe moeten?’
  8. [1835/1836] You never walk alone

    Noah had eigenlijk nooit een vriend gehad die hem te vriend hield omdat hij of zij daarvoor betaald werd. Om, eh, voor de hand liggende redenen. Zelf was hij ook nooit in die positie gestaan. Hoewel… Evangeline had hem indertijd nog betaald om met Darius te praten, toch? Maar dat telde niet helemaal. Want hij was al bevriend geweest met Darius, Eva had gewoon wat extra informatie willen hebben over haar toentertijd verloofde, en dus, dus, dus zou hij oprecht niet kunnen zeggen of het nu telde of niet. Vast wel, toch? Als dat meisje inderdaad zo lief was en ze gedroeg zich als een vriendin, wel, dan van Noah dat het een vriendin was. Extra geld was immers alleen maar handig. Hoefde niet per se invloed te hebben op de vriendschap. Dat had het ook nooit voor hem gehad; hij was nooit bevriend gebleven met Darius of Christopher of Evangeline of wie dan ook omdat ze toevallig een stuk meer geld in de kluis hadden dan hij. ‘Ik vind dat het telt!’ zei hij, gedecideerd. Oh, en ze wilde ook bevriend zijn met hem. Yay! Noah hield van nieuwe vrienden, ook al kende hij ze nu nog niet zo goed. ‘Natuurlijk kunnen wij vrienden zijn!’ zei hij dus, opgewekt. ‘Ik ben Noah.’ Hij stak zijn hand naar haar uit, en voor… wat er gebeurd was, was hij op haar afgestapt zodat hij niet zo naar haar moest reiken in de hoop dat ze wat dichterbij zou komen, maar eh… ja. ‘Hoe heet jij?’
  9. [1835/1836] Experience is the name we give our mistakes

    In principe wilde Noah met alle liefde helpen, maar het was nog best lastig om van enig nut te zijn als je niet zo goed voorover kon bukken als Darius dat kon. Ha. Nooit gedacht dat Darius actiever zou worden dan hij. Nee, dat was niet bitter bedoeld, echt niet, het was meer… verwondering. Om hoe raar het leven eigenlijk wel niet was. Om hoe apart de dingen des levens konden verlopen en om hoe zeker het was dat je er nauwelijks wat aan kon doen. En dus probeerde hij Darius wat te helpen, maar liet hij die halfslachtige poging alweer vallen toen Evangeline weer in de positie verkeerde zichzelf te helpen en hield hij zich vanaf dat moment vooral bezig met de half gesmolten sneeuw te redden van hun tragisch noodlot om er enigszins zielige sneeuwbal van te maken die hij, bij wijze van reddingspoging, naar buiten gooide op de plechtigste wijze die hij voor elkaar kreeg. En toen gingen ze koken. Of zo. Blijkbaar. Hij keek Evangeline schuin aan. ‘Ik kan koken! Een beetje. Dat moest ik soms thuis.’ Eh, ja, niet iedereen had een half leger bedienden in het ouderlijk huis die je op de voet volgden om er toch maar voor te zorgen dat die zachte handen van je niet bezoedeld raakten met eelt. Hij was er nooit goed in geweest, eerlijk was eerlijk, want je moest dingen tegelijkertijd doen en wat was er zelfs interessant aan koken als je twintig andere dingen kon doen en oh, hoe bedoel je, je moest enigszins op dat eten van je letten? Maar hey, in theorie kon hij koken! Als in, hij had het weleens gedaan en het was zowaar eetbaar geweest en meer woorden zullen we er, wijselijk, maar niet aan vuilmaken. ‘Gaan we dat doen? Hebben jullie geen twintig mensen die dat voor jullie doen? Ik dacht altijd dat rijke mensen dat hadden.’ Ja, nee, hij was niet subtiel over het verschil in afkomst, en eerlijk gezegd zag hij ook totaal niet in waarom hij dat wel zou moeten zijn. Was gewoon hoe het in elkaar zat, toch? Zolang ze hem niet aan zijn lot overlieten, ging hij eerlijk waar nergens over zeuren. Al had dat ook te maken met dat simpele feit dat, eh, hij nu niet degene was die aan zijn lot werd overgelaten in de negatieve kant van het kapitalisme. Tja. Hem hoorde je niet klagen nu, hoor. Later misschien wel. Als hij eraan moest denken dat er zo veel mensen op de wereld waren die niets tekort kwamen op de rug van veel meer anderen. Nu ja. Zorgen voor later!
  10. [1834/1835] Ik beloof dat er geen moord is in dit topic

    Maar… oh. Teleurgesteld keek Noah Pippa na toen die al lachend wegging. Hij vond dit eigenlijk helemaal niet tof, want ze deed raar en het ene moment vond ze het jammer dat hij haar gemeen vond en het andere moment begon ze te lachen en kreeg hij het akelige gevoel dat ze hem voor de gek had gehouden. En dat was helemaal niet aardig. Want hij had er oprecht mee gezeten dat ze zo verdrietig was en nu was het helemaal niet waar en pfft, meisjes waren zo ingewikkeld. Nee, oké, dit was niet typisch meisjes. Dit was typisch haar. ‘Ik vind jou helemaal niet zo aardig,’ besloot hij, op een luide toon zodat ze het goed had gehoord, en daarna draaide hij zich om om mokkend weer naar Zweinstein te gaan. Daar waren er mensen die hij wel begreep en die hem wel aardig vonden en dat was ook veel leuker dan met haar te praten, want zij was gewoon raar. ‘Maar nog veel plezier met sokken kopen!’ div.ooc_bbc { display:block; width:100%; background-color:rgba(255, 255, 255, 0.7); padding:4px; } div.ooc_bbc span.ooc_bbc_titel { color:#666; font-family:Courier New, Courier, monospace; padding:1px 5px; } OOC:Uitgeschreven <3
  11. Eh… Noah staarde Agatha in de war aan en vervolgens naar het muisje in zijn hand, dat onrustig bewoog en precies niet zo graag daar zat. Waren muizen geen huisdieren? Maar als mensen ze als huisdieren hielden… golden ze dan niet automatisch als huisdieren? Noah had er eerder weleens van gehoord, in verhalen en zo, en toen iemand hem had verteld over het mysterie van zijn verdwenen huisdiermuis, had hij zich helemaal niet afgevraagd of “huisdiermuis” wel een woord was dat zou mogen bestaan. Volgens Agatha niet. Blijkbaar. En dan nu, dames en heren, kwam het officiële debat over wat een huisdier precies zou moeten zijn. Enter Noahs prachtige argument. ‘Oh, maar… als iemand een muis als huisdier heeft, zijn muizen huisdieren, toch? Of werkt dat niet zo?’ Dat was niet zo’n heel sterk argument (al vond hij zelf van wel, als hij heel eerlijk mocht zijn) en dus ging hij wat verder in zijn redenering, puur om duidelijk te maken hoe sterk zijn denkvermogen wel niet was. Ha. ‘Ik heb zelf geen muis als huisdier,’ vertelde hij haar, ‘maar is het zo raar dan dat mensen dat hebben? Ik dacht dat dat gewoon iets van tovenaars was of zo. Tovenaars doen wel vaker rare dingen.’ Hè, kijk, hij was er ook één, net zoals Agatha, maar hey, ze snapte vast wel dat hij het over de volbloedvariant had.
  12. [1835/1836] You never walk alone

    Noah glimlachte vriendelijk bij het antwoord van het meisje. Hij was ook dol op kerst! Dat had niet zozeer te maken met Kerstmis zelf, ook niet met waar het voor stond, maar vooral met het feest. Want kerst vierde je met de mensen om wie je gaf en hoewel Noah nooit zo diep nadacht over om wie hij nu zoal gaf en om wie niet (het gemakkelijkste antwoord was immers “iedereen”, en hij hield wel van gemakkelijke antwoorden), was het altijd wel fijn om de feestdagen door te brengen met je naasten. En dit jaar was het zijn familie niet geweest, maar dat was de afgelopen jaren ook wel zo geweest, en Evangeline en Darius en de tweeling kwamen voor hem best wel in de buurt van familie. Dus dat was tof geweest. Ah, natuurlijk was het tof geweest – er was weinig dat hij niet tof vond, en als hij iets niet leuk vond, zorgde hij er wel voor dat hij het naar zijn zin had, en als hij dat niet kon, was er zelden een reden waarom hij niet gewoon weg zou gaan, op zoek naar een gelegenheid die hem meer plezier zou bezorgen. Uit plichtsbewustzijn ergens blijven was zijn ding niet zo. ‘Wat leuk! Ik houd ook van Kerstmis,’ vertelde hij, enigszins trots, als was het iets om trots op te zijn, een oppervlakkige gelijkenis als dit. ‘En mijn vrienden zijn heel leuk!’ Over zijn vrienden praten vond hij altijd wel tof, al was het maar omdat zijn vrienden fantastisch waren en dat sentiment delen voelde telkens als erg belangrijk. ‘Ze helpen me wel, ja, en ze vinden ook nooit erg om dat te doen, dus dat is wel tof. Maar daar heb je vrienden voor! Toch?’ Hij keek haar even met een schuin hoofd aan. ‘Hoe zijn jouw vrienden?’
  13. [1835/1836] Experience is the name we give our mistakes

    De Orkney-eilanden blijkbaar. Geen idee waar dat precies lag, maar toen Darius het zei, knikte Noah monter, net alsof hij dat antwoord al helemaal verwacht had. Waarschijnlijk was de naam weleens gevallen, hoor, maar met een geheugen als een zeef was het niet zo raar dat het hem compleet ontglipt was. En voor de goede orde nog een keer, want anders zou de naam misschien, heel misschien een belletje hebben doen rinkelen. Eh. Nja. Was niet erg. Hij propte nog een hap eten in zijn mond, terwijl Evangeline het woord overnam en hij bijgevolg van aan Darius’ lippen te hangen nu aan die van haar hing. Was hij niet verbazingwekkend onvoorspelbaar? ‘Bestaat daar een spreuk voor? Echt waar? Kan ik die leren?’ vroeg hij, snel en luid, zonder daar echt erg in te hebben. Oh, en toen opende ze de deur, om aan te tonen over hoeveel sneeuw het ging of zo (eh, wist hij veel, dit gesprek ging net over wat teveel tegelijkertijd voor hem om alles mee te krijgen – hij had meegekregen dat de lucht weg kon gaan, blijkbaar, dat ze nabij de Orkney-eilanden zaten en dat er, uh, sneeuw was. De rest was door zijn aandachtspanne, ha, als sneeuw voor de zon verdwenen) en toen kwam er een hele hoop sneeuw uit de deur, want blijkbaar was dat wat er gebeurde als je de deur opendeed als je ingesneeuwd zat. Cool. De volgende keer ging hij dat ook doen. Hij rolde richting Evangeline, reikte naar de sneeuw en lachte, vrolijk, en maakte er een (slecht gevormde, want de sneeuw was al half gesmolten) sneeuwbal van die hij vervolgens naar Darius’ hoofd gooide. ‘Kijk! Sneeuw!’ Ja, dat was nog niet duidelijk geweest, ongetwijfeld, als ze het al eventjes hadden over ingesneeuwd zitten en sneeuw en sneeuw die over Evangeline heen lag nu. ‘Je ziet er grappig uit nu,’ vertelde hij haar, opgewekter dan misschien zou moeten, en wees naar de lucht. ‘Kijk, de lucht is niet weg!’
  14. [1834/1835] Ik beloof dat er geen moord is in dit topic

    Oh… Noah had haar ergens wel willen kwetsen, want ze was gemeen geweest, maar dat verlangen was oppervlakkig geweest. Als in, hij had dezelfde pijnlijke reactie als zij bij hem had veroorzaakt op haar gezicht willen zien, maar hij had niet gewild dat ze echt zo geraakt zou zijn. Dat was gemeen van hem namelijk. En hij wilde niet gemeen zijn en dus moest hij dit maar even gaan oplossen. Dat was wel zo aardig. Als je eerste reactie enigszins venijnig was, moest je daarvoor compenseren met wat geschrokken aardigheid naderhand, toch? ‘Nee, niet huilen!’ zei hij, geschrokken dus. ‘Je bent helemaal niet gemeen! Zo bedoelde ik het niet… Ik bedoelde…’ Eh. Dat ze gemeen was geweest. Maar dat was geen oordeel over wie Philippa Adams als persoon was, oprecht niet. Nee, hij wist niet hoe dat precies in elkaar zat en nee, de precieze details konden hem ook niet zoveel schelen. ‘Kijk, het was niet zo aardig, maar ik was ook niet aardig en eh…’ Hij dacht even na. ‘Sorry?’
  15. [1835/1836] You never walk alone

    De afgelopen vijftien jaar had Noah geweten hoe het was om het meisje te zijn dat hem nu aansprak. Hoe het was om te kunnen stappen, om gewoon te gaan waar je wilde staan, om daar niet over te hoeven nadenken. Hoe het was om zonder assistentie uit je bed te springen. Hoe het was om naar mensen in een rolstoel te kijken met een steek van medelijden in je hart en het schuldige gevoel dat gepaard ging met de opluchting dat jij niet degene was wier benen niet werkten. Maar sinds kort kende hij de andere kant van de medaille. En sinds kort wist hij hoe het was om je jaloers te voelen bij het zien van de status quo voor zo veel mensen. Dat negeerde hij over het algemeen, hoor. Dat was allemaal zo serieus en saai en ugh. Als hij dat soort nijd ergens diep wegstopte, had niemand er last van en dat was ook zoveel gemakkelijker voor iedereen – al had je wel dat aparte voorgevoel dat het er ooit uit zou moeten komen. Maar dat kwam wel goed. Want Noah was nooit zo goed geweest in dat soort gevoelens op een volwassen manier te uiten en dus had hij zo nu en dan alleen maar de behoefte om tegen iemand te roepen dat het allemaal niet eerlijk was en zo moeilijk was dat nu ook weer niet. En dat was ook zo. Het was niet eerlijk. Het was niet eerlijk dat zijn trouwste vriend de armoede van thuis uit was, het was niet eerlijk dat hij oprecht niet goed wist wat hij ging doen als Darius hem ooit zat was, het was niet eerlijk dat hij niet meer kon stappen om God wist welke reden en het was niet eerlijk dat er niemand was die hem een uitleg zou kunnen geven. Maar het was ook niet eerlijk om dat op een ander af te reageren. Maar hier was het punt: de wereld was nooit eerlijk geweest tegen Noah en dus had hij zelf ook nooit echt geleerd om zelf wél eerlijk te zijn. Maar dat deed er allemaal niet toe. Want hij kon het best negeren en alles leidde hem toch af, dus als een meisje dat hij niet kende aan hem vroeg hoe zijn kerst was geweest, dan richtte hij zich met alle plezier op haar, met een lach op zijn gezicht. ‘Hoi! Mijn kerst was wel tof! Ik heb ‘m gevierd met…’ Wat waren Darius en Eva voor hem eigenlijk? Zijn werkgevers? Maar zo voelden ze helemaal niet… ‘Vrienden! Dat was leuk.’ Hij keek haar nieuwsgierig aan. ‘En hoe was die van jou? Ook tof?’
×