Jump to content

Noah Azarola

Huffelpuf Zevendejaars
  • Content count

    360
  • Joined

  • Last visited

  • Days Won

    10

Noah Azarola last won the day on May 7 2018

Noah Azarola had the most liked content!

About Noah Azarola

  • Rank
    What can't we face if we're together?

Profile Fields

Recent Profile Visitors

2,108 profile views
  1. Oh, was hij niet uitgenodigd? Jammer. Gelukkig had Noah nog wel andere vrienden, andere feestjes om naartoe te gaan, ook al wilde hij ergens heel graag met Blanche naar zo’n feestje, al was het maar als excuus om haar te zien schitteren zoals ze altijd deed als ze wist dat ze in haar element was (niet dat dat hem ooit was opgevallen, nuhuh). Het was niet zo dat het Noah nooit was opgevallen dat sommige mensen met iets meer ontzag werden behandeld dan anderen, dat populariteit er tot op zekere hoogte toe deed, maar… waarom had hij erom moeten geven? Mensen waren maar mensen, iedereen was uiteindelijk ook maar iemand. En als het iemand als Blanche Ingram betrof, was het gemakkelijk om dat even te vergeten, om haar hoger op de ladder te plaatsen dan elk ander (maar was dat niet half en half omdat ze zelf de ladder zou beklimmen als hij het niet voor haar had gedaan? Blanche scheen nooit genoegen te nemen met de bodem als ze de sterren in het vizier had), maar God, de feestjes zelf konden hem niet bommen. Zolang hij maar goede mensen om zich heen had. Zolang hij maar een rolstoel had om zichzelf mee rond te koersen. Zolang hij maar zichzelf had om zijn weg mee verder te zetten. Oh, en je weet wel, zolang Blanche over hem heen zat gebogen, ging hij ook nergens over klagen. Ja, sorry, hoor. Hij had het niet expres gedaan, maar eerlijk gezegd had hij tot nu toe geen slechte kant van deze situatie gezien. Nu ja, afgezien van het jammerlijke feit dat Blanche iets helemaal anders hoorde dan hij feitelijk zei en dat ze sowieso niet heel blij met zijn stralende aanwezigheid hier scheen te zijn. Bracht ook weer veel hoop. Gelukkig was Noah niet het type om zich heel veel aan te trekken van het algehele concept dat mensen die nooit op leken te lichten bij je binnenkomst hoogstwaarschijnlijk niet zó dol op je waren. Had ook gewerkt bij Agatha. ‘Dat zeg ik toch helemaal niet?’ Hij haalde zijn schouders op. ‘Jíj bent degene die hier zo dringend weg moet.’ Hij vond het niet zo’n hel om in Blanches buurt te moeten zitten, hoor. ‘Gaat gewoon open toveren eigenlijk niet?’ Hij dacht niet zo moeilijk.
  2. [1837/1838] Homerun a way to my heart

    Noah had altijd energie voor tien gehad. Als kind had hij nooit stilgezeten, als tiener net zo min eigenlijk, en nu moest hij dan wel zitten omdat er niet veel anders opzat, maar dat betekende niet dat het stil moest zijn. Sinds Bobbie hem geadopteerd had, was het een stuk eenvoudiger om aan allerlei magische snufjes te komen die het gemakkelijker maakten om toch nog actief te blijven, ondanks het jammerlijke feit dat zijn benen niet meer werkten, nog steeds gevangen in de greep van een mislukt ritueel. Maar hij was het type niet om daarin te blijven hangen — hij was meer het type om andere wegen te zoeken naar zijn bestemming (soms letterlijk — echt heel vervelend, al die trappen op Zweinstein en smalle gangetjes waar zijn rolstoel helemaal niet doorheen kon), of het hem nu een beetje meer tijd kostte of niet. Zijn energie nu kwijtraken was iets, iets lastiger, maar omringd met de juiste mensen die enige flexibiliteit bezaten, lukte het heus wel. Niemand die zei dat je moest stoppen met oude hobby’s, puur omdat je in een rolstoel was beland, toch? De mogelijkheden waren eindeloos. Al helemaal voor dreuzelkinderen die nog altijd enigszins verbouwereerd stonden te kijken bij wat er allemaal mogelijk was. Een beetje jammer dat iemand een beetje uitlachen om hoe ze sloeg ook tot die mogelijkheden behoorde, maar hé, het leren en het zo oplossen was ook één van die mogelijkheden, dus zo kwam het vast alsnog weer goed. Hij was vast een geweldige leraar. Hij glimlachte naar haar, vrolijk – hij kende haar niet goed, maar dat had hij ook niet nodig, ze leek hem lief en dat betekende vast dat ze dat ook gewoon was. Onaardige mensen konden het nooit zo goed verbergen, vond hij. ‘Natuurlijk wel!’ Waarom zou hij niet? ‘Heb je een slechte dag vandaag?’ vroeg hij een beetje plagend, voor hij zich naast haar manoeuvreerde. ‘Hoe kan ik helpen?’
  3. [1837/1838] Back Home

    Lieve dingen voor Blanche doen… Hm. Interessant. Op zich vond Noah zichzelf best wel een lieve jongen, aardige knul, dat soort nietszeggende epitheta die je zo snel je kant opgeslingerd kreeg zodra je één ding voor een ander deed zonder meteen met open hand naar ze te reiken voor de betaling, maar het was moeilijk om zo één, twee, drie te bedenken wat voor lieve dingen hij voor Blanche moest gaan doen. Hij kon geen cadeautjes voor haar kopen, want hij was arm; hij kon moeilijk allerlei zoetigheden voor haar gaan bakken, want Blanche kende zelf veel meer van zoetigheid door haar vaders fabriek dan hij en dat was vast allemaal tien keer lekkerder dan wat hij kon maken; hij kon haar niet helpen bij haar huiswerk of zo, want ze was veel slimmer dan hij. Plus, Noah vergat altijd meteen dat hij huiswerk moest maken. Geen idee hoe hij door de SLIJMBALexamens was gekomen. Maakte niet uit. Kijk, hij dacht veel te snel “maakte niet uit” hiervoor. ‘Wat voor lieve dingen?’ vroeg hij, geïnteresseerd. ‘Wat zou jou zover krijgen dat je iemand ziet staan?’ Als meisje was ze de expert, niet? ‘We zitten bij elkaar in de klas! Dus dan probeer ik haar aan te spreken, maar ik bedoel, iedereen wil met haar praten en zo,’ hoe bedoelde je, niet iedereen was verliefd op Blanche, huh, ‘dus dat lukt niet altijd. Maar soms wel! Ze heeft me een keer geholpen met iets uitleggen dat ik niet snapte?’ Hij dacht even na. ‘Is dat goed? Of vindt ze me dan alleen maar dom?’
  4. ‘Oh, ik wist niet dat er een feestje was,’ gaf Noah toe, want wanneer gaf Noah dingen niet toe, wat was liegen, wat was verzwijgen, wat was trots, en nog belangrijker, wat zou ervoor zorgen dat Blanche niet meer zo boos klonk als ze tegen hem sprak? In se had Noah altijd wel een aantal vragen, maar ze maakten nooit echt deel uit van zijn dagelijks leven. Maar die laatste wel. Want Noah wilde heel graag dat Blanche naar hem glimlachte zoals hij soms zag dat ze deed naar anderen en niet geërgerd klinken was vast een goede eerste stap – en ah, tot die tijd kon hij het niet erg vinden dat zijn rolstoel een stormachtige affaire had gehad om deurklinken die hen hiertoe veroordeeld had, want in het donker kon hij heus wel doen alsof ze wel glimlachte, of ze nu zo klonk of niet. Zij vond het vast ver-schrik-ke-lijk hier, maar hij kon niet klagen. ‘De deur opblazen?’ herhaalde hij, terwijl hij met enige tegenzin een centimeter of drie aan de kant ging. Veel meer plaats was er hier niet. Misschien als hij geen rolstoel had gehad, maar goh, die had hij wel. Ha. Zonder was hij hier niet in verzeild geraakt, dat ook. Dus. Eh. Ja. ‘Kan je er zo aan?’ Als ze niet kon, kon ze er wel gemakkelijker bij op zijn schoot! Overigens! Gewoon! Voor de efficiëntie! Echt waar! Noah zou nooit bijbedoelingen ergens bij hebben! Of hij kon de stand aanzetten die de rolstoel opvouwde en maar als een zielig gevogelte op de grond zitten zodat hij haar niet in de weg zat, maar… nah. Mocht het? ‘De deur opblazen is wel slim,’ complimenteerde hij haar, Nessies woorden ter harte nemend. ‘Maar jij hebt altijd slimme ideeën.’ Want Blanche was slim, Blanche was altijd slim en zelfs als ze dat niet was, vond ze wel een manier om slim te ogen. Noah was niet zo; bij Noah zou het nog niet eens opkomen dat dat een optie was, slim lijken als hij het niet was, maar Blanche mocht het hem vast aanleren.
  5. [1837/1838] Cascading, over and over

    Oh, dat wilde hij wel! Hij moest toch weten bij wie hij terecht kwam? Ja, ja, het was nu al gebeurd, hij had getekend en heel plechtig besloten dat hij bij deze Noah Azarola was, ook al wist hij nauwelijks wie Bobbie was – wat was haar tweede naam zelfs… - in de aanname dat dat allemaal wel zou loslopen en dat iemand die hem op de ene op de andere dag wilde adopteren, gewoon echt héél lief was. ‘Ja! Dat lijkt me leuk,’ zei hij enthousiast. ‘Denk je dat ze me aardig zouden vinden?’ Nu ja, beter van wel, want anders werden die familiefeestjes een beetje gênant. ‘Laten we gaan!’
  6. [1837/1838] Well, I'd love it if we made it

    Noah vond het nooit léúk als mensen boos op hem werden, maar professor Damarcus was nu niet de eerste persoon in zijn leven die tegen hem begon te schreeuwen, een verbale lawine van razernij, zonder dat er naar zijn persoonlijke – en irrelevante, wellicht, dat was wel vaker het geval als het op dit soort dingen aankwam – mening echt iets gebeurd was dat zo’n reactie rechtvaardigde. Nu ja. Hij was tegen hem opgebotst, ja, maar het was duidelijk dat dat een stom accident was geweest, toch? Hij had het echt niet expres gedaan! En hij had sorry gezegd! Tegen hem gaan tieren ging er echt niet voor zorgen dat Noah plots een oplettend persoon was! Oké! Hij staarde naar boven, naar het gezicht van professor Damarcus dat zo witheet stond. ‘Professor, het was gewoon een ongeluk!’ protesteerde hij. Ja, ja, meneer zijn tenen deden nu vast heel au-au, maar dat had Noah ook weleens gehad en dat had hij ook allemaal overleefd, hij had zelfs meer dan dat overleefd, dus als hij heel, heel eerlijk was, vond hij dat meneer echt mocht stoppen met zeuren. ‘U had ook gewoon uit de weg kunnen gaan!’ Ja, sorry, hoor, hij had ook wel genoeg rijke schreeuwlelijken op zijn dak gehad.
  7. 5 maart 1838 Noah wist onderhand al wel hoe hij succesvol met een rolstoel moest rijden – vroemvroem, hij was een expert – maar Noah was ook Noah en, eh, niet oplettend, dus waar hij zonder probleem het hele kasteel van Zweinstein doorcrosste, elke gang en elke krocht die zijn alziend oog vinden kon, was hij ook bijzonder getalenteerd in dat vooral ieders probleem maken. Goh, ja, die deur was nogal smal, maar erdoorheen rijden zou best kunnen, toch? En als hij vast stak, ach, dat raakte wel weer opgelost. En dat iets van tien keer, elke dag – en op zich, op zich kwam het ook telkens goed, dus op zich, op zich hoefde hij niet plots saaie lessen in de trant van “haast en spoed is zelden goed” en “misschien is het in principe wel een goed idee om verder te kijken dan je neus lang is, niet om naar te zijn of zo” te leren. Je had alleen het punt dat niet iedereen die hij aanreed even vergevingsgezind was als Noah naar zichzelf toe. Ja, dat vond hij zelf ook heel onredelijk, maar ach. Professor Damarcus was vast heel erg vergevingsgezind. Hij zag er een beetje permanent chagrijnig uit, net alsof de wereld hem elke dag wakker maakte om half zes met een kopstoot en een oorverdovend gerochel, net alsof dat de schuld was hem in het bijzonder. En hij had een beetje weinig geduld in de les. Maar dat was oké! Hij was vast simpelweg verlegen of iets in die aard, had niet zo goed door hoe hij overkwam, blablabla, al die onzin dat je vergoelijkend kon verzinnen over iemand die je niet per se onaardig wilde vinden. En als hij het mis had, was dat ook niet zo erg. Op een vliegende rolstoel kon je betrekkelijk snel maken dat je weg kwam. Dus. Dat. ‘Sorry, professor Damarcus!’ zei hij, te monter om oprecht te klinken, een tel nadat hij frontaal was opgebotst tegen zijn professor en vergeten was waar zijn rem ook alweer zat (een centimeter of drie van waarnaar hij aan het grijpen was, goh, toevallig). ‘Sorry als ik u pijn heb gedaan!’ Zullen we nu over het weer praten, meneer? OOC: Privé met Lisa! <3
  8. [1837/1838] Cascading, over and over

    ‘Ja ! Vijf dagen geleden geworden,’ vertelde hij, met enige trots. Nee, verjaren, op zich, was geen prestatie, dat was de eenvoudige gang van zaken, één van de weinige dingen ter wereld waar je niets voor hoefde te doen, het verlopen van tijd, maar hij was ergens alsnog trots op zichzelf. Hij was zomaar even zeventien geworden! En waar zijn leven alles geworden was waar hij nooit gerekend op had, kon hij niet zeggen dat hij dat erg vond. Of zo. Tovenaar zijn was leuk, naar Zweinstein gaan was leuk en hij wist nog niet of geadopteerd worden ook leuk was, maar Bobbie was tof en dus was ze vast eveneens tof als adoptiemoeder. Waarom zou ze dat niet zijn, tenslotte? Noah, je kent Bobbie voor geen meter. Hij tekende de papieren zonder ze te lezen (Noah wist niet wat de kleine lettertjes lezen inhield, oké) en keek zijn nieuwe adoptiemoeder nieuwsgierig aan. ‘Heb je verder nog familie?’ vroeg hij, de nieuwe vuurwhiskey aannemend. ‘Wanneer kan ik ze ontmoeten?’
  9. [1837/1838] Openingsfeest: watch the queen conquer

    De glimlach was klein, maar het was er één en dus was Noah meteen blij dat hij het gedaan had. Het was niet zo dat Blanches glimlachjes per se zeldzaam waren, ze waren het alleen maar naar hém en dus wilde hij elk exemplaar dat hij zomaar in de schoot geworpen kreeg koesteren, de eerste rijkdom die hij in zijn schatkist steken kon. Hij had geen schatkist, niet echt, had nooit het geld gehad om zo’n mooie kist te kopen en niets om in zoiets te steken, afgezien van ervaringen en verhalen en dat soort dingen dat hij voor gratis en voor niets op zijn rekening kon zetten, maar als Blanche nog één keer naar hem glimlachte, wilde hij er wel één. Gewoon. Om iets tastbaars te hebben om dat warme gevoel aan vast te kunnen koppelen. Zodat hij het nooit meer vergat. Hij schudde zijn hoofd. ‘Nee…’ Zeker niet het type feestje dat Blanche vast gewend was. Die kritische blik verdiende hij wel, hoor, hij had geen idee hoe hij zijn eigen ideeën moest aanpakken en hoe je er überhaupt op zo’n korte tijd aan begon – maar het was het eerste waarop hij kon komen en het was gewoon zo rot voor Blanche dat ze nooit een fijne verjaardag had. Terwijl je verjaardag echt jóúw dag was! Of dat in ieder geval moest zijn. ‘Wat moet je er dan zoal voor doen?’ Hij kon het vast wel, hoor. ‘Het moet natuurlijk wel goed zijn!’ Kijk eens hoe toegewijd hij was.
  10. [1837/1838] Back Home

    ‘Bloemen… Ja, dat kan ik wel doen, denk ik!’ zei hij, iets enthousiaster bij het vooruitzicht dat meisjes volgens Happiness bloemen altijd leuk vonden en dat bloemen kopen wel iets doenbaars was. Chocolade was zo dúúr. Maar misschien was dat ook het punt, misschien moest hij bewijzen dat hij dat kon of zo voor Blanche hem een blik waardig keuren zou (had je nog het punt dat hij dat helemaal niet kon bewijzen, want uh, hij had dat geld simpelweg niet) en misschien vond zij hem daarom gewoon niet leuk. Dat kon. ‘Blanche is…’ Hoe legde hij het wezen Blanche uit? ‘Ze is één van de populairste meisjes op Zweinstein,’ zei hij, maar bij het simpelste beginnend. ‘Iedereen vindt haar leuk en zo en ze wil heel graag overal goed in zijn en ze lacht altijd heel mooi als ze haar doel bereikt.’ Ambitieus, het type dat de wereld in haar achterzak wilde hebben en dat door dat eenvoudigweg te willen al half had – en hij bewonderde dat, echt waar, maar het meest van al vond hij het gewoon… mooi. Haar zo zien gaan. Wensen dat hij mee mocht gaan als ze wegging om alles te doen waar ze op kon komen. ‘Ze ziet me niet echt staan, geloof ik.’ Of wel, of wel, maar dan wilde ze hem gewoon niet zien. Heel cliché allemaal. Hij haalde zijn schouders op. ‘Ben jij eens verliefd geweest?’
  11. [1837/1838] Cascading, over and over

    Ooooooh. Kijk, nu kon Noah volgen! Het had even geduurd, maar hij had het nu en dan kon hij nu goed nadenken over of hij Noah Leadley of Noah Azarola beter vond klinken. Nu ja, op zich, op zich had Noah geen enkele band meer met de achternaam Leadley en Azarola klonk inderdaad wel cool. Iets nieuws. Magischer, ergens. En het was een nieuwe start, en waar Noah elke dag praktisch als een nieuwe start zag, was dit er écht één. ‘Dat klinkt wel leuk!’ antwoordde hij opgewekt. ‘Is je moeder lief?’ Zijn eigen moeder was wel lief geweest. Nu ja, niet lief genoeg om hem altijd te willen beschermen, maar wel… behulpzaam. Het type waar iedereen naartoe ging omdat ze wisten dat ze geen nee kon zeggen, in die eeuwige behoefte de hele wereld van hun lasten te verlichten. ‘Ik denk dat ik dan graag Noah Azarola zou heten,’ besloot hij. Kijk! Noah is goed in beslissingen maken.
  12. Nah, Noah lette niet op, Noah lette nooit op, alleen op de persoon met wie hij op dat moment toevallig een gesprek onderhield, en dus ging die stok tegen de grond en kwam Noah er op dat moment achter dat er überhaupt een stok was. En ook dat dít de kast was waarbij je moest opletten. Hij voelde even aan de deur en probeerde of hij hem openkrijgen kon (het antwoord was nee, verbazingwekkend genoeg), waarna hij maar schaapachtig zijn toverstok nam om toch iets van licht te maken. Het was gek, eigenlijk, hoe Blanche er zelfs in dit soort schaars licht nog mooi uitzag. Maar misschien was dat gewoon het punt met mooie mensen – iedereen kon er mooi uitzien, uiteindelijk, maar mensen bij wie het zo inherent was als bij Blanche, kregen het niet voor elkaar om er nooit lelijk uit te zien. Of misschien lag het aan hem, was hij simpelweg degene die het niet voor elkaar kreeg om haar als iets anders dan dat te zien. ‘En nu?’ vroeg hij aan Blanche, want Blanche scheen beter te weten hoe dit allemaal werkte dan hij. Op zich was dat niet zo gek – Noah was te verstrooid om dikwijls te weten hoe de dingen in elkaar staken, maar Blanche was gelukkig heel anders dan hij. En wist uit haar hoofd welke deuren je, naar het schijnt, niet meer open kreeg. ‘Krijg je die deur van buitenaf wel open?’ vroeg hij, in de volle verwachting dat zij dit allemaal wist. ‘Misschien moeten we dan gewoon geluid maken als er iemand voorbij komt!’ Hoe bedoelde je, het was laat, dus wie weet hoeveel man er hier nu nog voorbij kwam?
  13. [1837/1838] Back Home

    Noahs wangen kleurden rood, lichtjes. Blanche was anders dan Olivia geweest was, Agatha, al wist hij niet zo goed waarom. Ze vond hem niet leuk, wilde hem niet in de buurt zoals zij hadden gedaan, ze trok een vies gezicht als zijn lippen per ongeluk die van haar raakten door een foutje in de bibliotheek, ze keek hem afwijzend aan en zei soms nare dingen zonder dat hij goed wist waarom, maar er waren ook momenten dat ze naar hem glimlachte en dan… Dan was alles goed. Hij kreeg het nooit voor elkaar om weg te kijken, dan, net alsof hij, ergens, bang was om ook maar een seconde van het moment te missen, maar tegelijkertijd kon hij dat ook niet zo erg vinden. Omdat het het waard was. Zeg maar. ‘Ik denk het wel,’ gaf hij maar toe. Hij had het kunnen ontkennen, op zich, maar hij was daar nooit goed in. Plus, misschien kon Nessie hem wel helpen. Haar naam was Happiness – ze wist vast heel goed hoe ze dat moest bereiken. ‘Maar ik denk niet dat zij mij leuk-leuk vindt.’ Want ze vond hem niet eens gewóón leuk. Dan werd het vast niet meer dan dat. En toch… Nieuwsgierig keek hij haar aan. ‘Wat vinden meisjes eigenlijk… leuk?’ Ja, sorry, hoor, hij wist het niet, want anders had Blanche hem wel leuk gevonden. En had Agatha niet iemand anders gekust. Misschien moest hij eens vragen wie dat precies was geweest… Die jongen wist het vast beter dan hij.
  14. [1837/1838] Cascading, over and over

    Noah was een beetje in de war en keek Bobbie Azarola bijgevolg ietwat knullig aan. Was dat iets normaals? Dat je iemand één keer leerde kennen en dat ze je vervolgens hun achternaam aanboden? Misschien was dat iets typisch voor de magische wereld of zo. Kon nog wel. De tovenaarswereld was, zo leerde hij telkens opnieuw, een lappendeken van vreemde gebruiken die iedereen zodanig normaal achtte dat ze vergaten om de doorsnee dreuzelgeborene op de hoogte te stellen. Was oké, hoor. Hij was nooit te beroerd om er gewoon naar te vragen. ‘Waarom zou ik jouw achternaam krijgen?’ informeerde hij, terwijl hij zijn hoofd schuin hield, net alsof al het verstand dat hij bezat zo naar één kant zou glijden en hij de brokjes informatie zo ineen zou kunnen puzzelen. ‘We zijn niet getrouwd, toch?’
  15. [1837/1838] Cascading, over and over

    Opgewekt zwaaide Noah naar Bobbie. Hij had het eigenlijk niet zo verwacht dat hij haar terug zou zien, het was geen doorsnee ontmoeting geweest, maar ook niet het type dat een vervolgverhaal inluidde. Het type dat je bijbleef, het type dat je aan mensen vertelde op een stil moment en je de stilte wilde doorbreken met wat dan ook en een verhaal over een vrouw met meer nieuwsgierige vragen dan jijzelf, zelfs, was snel genoeg uit de mond gerold. Verward keek hij haar aan, echter, na haar boodschap. Hij nam een nadenkende slok van de vuurwhiskey, alsof dat hem zou helpen bij… wat dit ook was. Nu ja. Ook omdat hij dit nog nooit geprobeerd had (ja, sorry, soms kreeg je dat voor elkaar op Zweinstein) en hij zich afvroeg of het zijn ding zou zijn. ‘Ik denk het wel?’ Met een schuin hoofd keek hij haar aan. ‘Welke achternaam zou ik anders hebben?’ Ingram? Wacht, nee.
×