Jump to content

Keane Cadwgan

Magisch Verbond
  • Content count

    824
  • Joined

  • Last visited

  • Days Won

    44

Keane Cadwgan last won the day on December 12 2017

Keane Cadwgan had the most liked content!

About Keane Cadwgan

  • Rank
    The longest sentence you can form with two words is 'I do'.

OOC Profiel Informatie

  • Naam
    Dails

Profile Fields

Recent Profile Visitors

3,482 profile views
  1. [1836/1837] Music is the strongest form of magic

    “Mijn grootvader is wel tegen meer” sprak Keane duister, alhoewel zijn groene ogen vrolijk fonkelden omtrent het feit dat ze hoorbaar onder de indruk was. “Maarja, wat ik zei, als je eenmaal een beetje weet hoe en wat, is het niet heel erg moeilijk om er zelf op door te gaan. Daarnaast is alle tijd die ik in instrumenten heb geïnvesteerd van al het huiswerk op Zweinstein afgegaan.” Hij lachte even kort, hardop. “Vrienden worden met Samuel Everett was daarom waarschijnlijk de beste keuze die ik ooit in mijn leven heb gemaakt.” En hij had nogal wat ‘slechte’ keuzes gemaakt, mocht je het aan een willekeurige derde vragen, kuch. Maar Sam had hem door best wat zware tijden geloosd en had heel wat huiswerk met hem willen delen. Voornamelijk vóórdat hij door zijn grootvader een jaar naar Beauxbatons was gestuurd, had dat hem geholpen. Daarna was het multitasken hem op de een of andere manier meer eigen geworden. Overdag was hij bezig geweest met zijn Hoofdmonitorzaken, lessen, muziek, zwerkbal… en ’s avonds had hij Evangeline gehad om de gangen mee te verkennen, geheime hoekjes mee te ontdekken, donkere bezemkasten mee te bezoeken… Ah. Even schudde hij zijn hoofd om die achteraf pijnlijke herinneringen, die hem iets te gemakkelijk afgingen om naar boven te halen, weer zorgvuldig toe te dekken. “Bakken? Ik had je niet geheel als het meisje gezien die daadwerkelijk dingen bakt. Ben je daar goed in?” vroeg Keane grijnzend, terwijl hij zijn blik over haar met sproeten gevulde gezicht liet glijden. Haar sproetjes waren donkerder dan die van Evangeline, net zoals haar haar. “En als je wilt mag je wel een keer bij mij thuis langskomen. Ik zal dan wat voor je voorspelen op de cello, net zoals nu.” Een lichte blos kroop naar zijn wangen. “En.. Josephine, mijn echtgenote, bespeelt de harp. Dus als je dat een keer wilt horen, dan is daar vast ook tijd voor.” Even dacht hij verder na over haar vraag. “Het is… ik weet niet. Het is een beetje zoals het leren van magie, denk ik.” Hij legde de ganzenveer neer en liet zijn hand over de piano gaan. “Je weet dat je ergens, van God of… iets, het talent heb gekregen om spreuken te kunnen uitspreken, of een stuk te kunnen spelen. Eigenlijk… alleen maar omdat je weet dat anderen je al voor zijn gegaan, dus… hoe moeilijk kan het zijn?” Hij keek op en glimlachte haar toe. “Maar vervolgens moet je het natuurlijk nog wel leren en nog wel doen. Nu, in mijn geval gaat muziek me eerlijk gezegd iets makkelijker af dan iets als Transfiguratie of Bezweringen, maar ik denk dat het leerproces wel hetzelfde onderliggende mechanisme heeft…” Want als hij had gezien met welk gemak Felicia haar spreuken uitsprak, dan was dat puur op talent, iets wat hij haar op dat vlak niet gemakkelijk nadeed. En hetzelfde gold voor Eva’s schilderkunsten. Hij liet zijn hand naast die van Heaven rusten. “Er is vast wel iets waar jij goed in bent, toch? Ik kan me niet voorstellen dat iemand als jij geen uitgesproken talenten heeft.”
  2. [1836/1837] Op een 'onbewoond' ei-hei-land...

    Als Keane had gedacht dat de Dementors het verschrikkelijkste gedeelte van Azkaban vormden, dan was de binnenzijde van het fort toch wel echt een verrassing. De dikke, donkere, zwartgeblakerde muren, die eruit zagen alsof er ooit een flinke brand had gewoed, waren doorweekt met (zee)water, wat tezamen met de grote plassen op de grond een rottende geur verspreidde. Het was er koud, bijna nog kouder dan op de binnenplaats tussen de Dementors, die an sich al een kou verspreidden die tot op het bot reikte; Nee, deze kou leek afkomstig van oeroude magie, van de Zwarte Kunsten die de Dementors de afgelopen twee eeuwen hadden aangetrokken en hen hier liet nestelen en broeden. Keane voelde deze magie zachtjes tintelen in zijn vingertoppen, alsof het in hem de generaties zuiver bloed herkende die in de Cadwganlijn waren verleid tot de Zwarte Kunsten. Maar Keane had zelf nooit echt iets van deze kunsten moeten hebben, want ze bezaten een kracht waarvan hij wist dat hij ze niet zou kunnen temperen. Voor een moment was hij blij dat hij zijn toverstaf niet bij zich had, al was dat maar van korte duur. Want ook de poorten waar hij zojuist doorheen was gestapt vielen met een luide klap achter hem dicht, en dat was het moment dat hij zich plotseling erg leeg en opgesloten voelde. Zonder het gerochel van honderden Dementors en de fluitende wind in zijn oren was het stil in de koude, hoge, donkere gangen. Nuja… afgezien van het ijzingwekkende gegil. Keane had zich afgevraagd hoe het de gevangenen zou vergaan die vierentwintig uur per dag onder toezicht stonden van de Dementors, en het antwoord was; niet. Velen stopten met eten zodat ze niet langer de zuigende, depressieve werking van de Dementors hoefden te ondergaan. Anderen werden gewoon gek. En hoe verder Keane Azkaban in liep, hij meer hij zich bewust was van hoe slecht dit idee was geweest. Hij wist dat het gegil menselijk was, of nuja.. moest zijn, al kwam het erg in de buurt van wat de Bloederige Baron op stormachtige nachten in de Kerkers rond de Zwadderich leerlingenkamer uitstootte. Een paar keer struikelde hij in zijn soppende laarzen over de ruwe, onregelmatige stenen, maar er was nu ook een Dementor achter hem verschenen en hij voelde zich opgejaagd, haast zelf als een gevangene, niet meer vrij om te beslissen dat hij toch maar weer wegwilde, al was hij zo dichtbij datgeen wat hij voor zichzelf had geregeld. Uiteindelijk wees een grijze, rottende hand richting een kleine, schaars ingerichte kamer met een enkel getralied raam. Keane knikte bleekjes en dook de kamer in, waarna hij de deur met een zachte klik in het slot hoorde vallen. Alleen. Opgesloten. Twee olielampen, een bij de deur en een op de ruwe houten tafel, gaven wat schaars licht. Hij nam aan dat de Dementors Felicia waren gaan halen – dat, of ze dachten dat ze vrijwillig een nieuwe gevangene erbij hadden en in dat geval was dit zijn cel de komende dagen, in ieder geval totdat Josephine of zijn grootvader hadden bedacht dat ze hem mistten. Shit, Josephine… zou ze hem hebben vergeven voor Valentijnsdag? En voor dat schilderij? Nog iets bleker dan tevoren stopte hij zijn handen in de zakken van zijn mantel in een poging te stoppen met rillen en ijsbeerde hij wat door de kleine ruimte heen en weer. Hij had zijn echtgenote ook niet verteld waar hij heen was gegaan… en wie zou er daar nu weer zo snel achterkomen? En wat zou er gebeuren als ze er niet zou achterkomen, als het haar niet kon schelen, of het eigenlijk wel fijn vond, en… Zijn blik gleed over de vieze vloer van de ruimte en binnen drie tellen stond hij weer bij de deur. “Meneer de Dementor? Eh.. meneer de Dementor?” Hij bonkte op de deur, een paniekerige ondertoon in zijn stem. “Pardon, maar mag ik naar een andere ruimte? Er ligt hier een dode rat!” En verbazingwekkend genoeg klikte de deur wederom open - maar waren het ditmaal niet alleen Dementors die in de deuropening verschenen.
  3. [1836/1837] Op een 'onbewoond' ei-hei-land...

    Onwillekeurig zette Keane enkele passen achteruit toen het enorme wezen de deur opende. Het donkere, zwarte gat, op de plek waar het hoofd zou moeten zitten, keek hem aan – voor zover dat kon. De Burggraaf begon onwillekeurig over zijn gehele lichaam te trillen en hapte een aantal keer naar lucht om zichzelf wat onder bedwang te krijgen. Hij was een afgezant van het Ministerie. Deze Dementors werkten voor het Ministerie. Zijn grootvader was Owain Cadwgan, Lord Radnor, die zich op een machtige plaats binnen het Ministerie van Toverkunst bevond. Er was niets aan de hand – of zo vertelde hij zichzelf. Bleekjes gleed zijn blik van het donkere gat, waar de kap overheen was getrokken, naar de loom bewegende zwarte vodden. De Dementor leek geen benen te hebben, maar zweefde enkele tientallen centimeters boven de grond. Het wezen maakte daarnaast een licht rochelend geluid, alsof het iets was wat dood was – of dood aan het gaan was. Met zijn hart kloppend in zijn keel verzamelde Keane alle moed die hij in zich had (het liefst zou hij namelijk gewoon gillend terugrennen naar het miserabele zandstrandje, maar eigenlijk durfde hij de Schouwer niet onder ogen te komen zonder dat zijn missie ook daadwerkelijk was geslaagd) en opende hij zijn mond. “Ik… ik ben Lord Radnor. Ik kom voor Fe- miss Harding.” Voor een moment staarde het wezen hem aan, voor zover wezens wiens hoofd je niet kan zien je kunnen aanstaren. Even was Keane bang dat het niet genoeg was, dat hij de Schouwer nodig had en dat hij nu aan zijn lot was overgelaten tussen een horde Dementors, maar het wezen leek plotseling een afweging te hebben gemaakt en zweefde langzaam, zachtjes rochelend opzij. Het zouden nog best grappige en interessante Fabeldieren zijn, ware het niet dat ze op de een of andere manier iets zo verschrikkelijk treurigs uitstraalden, iets wat alle slechte herinneringen die hij ooit had gehad bij hem naar boven haalden en hij moeite moest doen om die te onderdrukken en niet hier als een zielig hoopje in elkaar te zakken. Dit gevoel werd niet minder toen hij zicht kreeg op de binnenplaats. Hier trof Keane het meest troosteloze beeld aan wat hij ooit had gezien, en dat was inclusief de dag van zijn bruiloft. Honderden Dementors zweefden langzaam door elkaar, hun zwarte vodden onnatuurlijk loom bewegend in de harde februariwind, klaarblijkelijk ongestoord door de zachte regen. Het zag eruit als een drukke winkelstraat op de dag voor Kerstmis en minstens even depressief, doch de duistere wezens onnatuurlijk indrukwekkend en eng. Voor een moment week Keane ook hiervan achteruit en zonk hem de moed in de schoenen. Hoe ging hij ooit tussen al deze Dementors doorkomen? Voor het eerst sinds hij op het eiland was gekomen voelde hij zich niet alleen overweldigd en onder dikke laag van borrelende angst, maar ook persoonlijk bedreigd. Een of twee Dementors waren al behoorlijk indrukwekkend, maar was het sowieso mogelijk om als tovenaar door zo’n horde Dementors te moeten struinen zonder enige vorm van magie te kunnen gebruiken? Wat hadden die Schouwers wel niet gedacht toen ze op zijn voorstel ingingen – wat had die man wel niet gedacht toen hij hem op dit eiland achterliet! Dit was belachelijk, dit was ondoenbaar, hij was een Burggraaf, dit kon niet, dit was.. hij kon beter teruggaan. Hij was nog steeds nieuwsgierig naar Felicia’s verhaal, wilde nog steeds ergens vaag wel Azkaban van binnen zien… maar dit was gewoonweg gekkenwerk. Hij was de erfgenaam van het Cadwgan fortuin, en in die zin had zijn grootvader hem nodig, en daarnaast had Josephine hem nodig als haar echtgenoot, zeker omdat ze nu zwanger was... Echter, op het moment dat hij had besloten dat hij nu toch echt wel terug wilde, viel de zware deur met een ijzingwekkende klap achter hem dicht. Keane gilde nu toch echt even kort en on-mannelijk, voornamelijk omdat hij zich niet kon herinneren dat hij de passen door de poort heen naar voren had gezet. Met het geluid draaiden de Dementors op de binnenplaats zich loom richting hem, de honderden wezens met hun kappen en donkere mantels, de honderden rochelende geluiden die hem nu van alle kanten ter ore kwamen. Hij wilde weg. Hij wilde weg maar hij stond met zijn rug tegen de loodzware deur, die met geen mogelijkheid meer open leek te willen. De Dementor die als eerste de deur voor hem had geopend zweefde echter rustig voor hem uit, en plotseling ontstond er ruimte door de massa van gerochel, redelijk vrij van Dementors, waarbij de eerste als een soort Mozes de weg vrij maakte. Keane, bleek en misselijk en blij dat hij alles er op de heenweg al had uitgekotst, greep met zijn vingers de houten deur vast en duwde zichzelf naar voren, door de haag van Dementors heen. Hij kon klaarblijkelijk niet meer terug, tenminste niet meer totdat hij Harding had gesproken. ...Als ze nog aanspreekbaar was. Voor het eerst dacht hij aan het effect wat een langdurige blootstelling aan deze wezens op Felicia moesten hebben, en vroeg hij zich af of ze überhaupt gereed zou zijn mensen te ontvangen. Hij liep snel, zo vlug dat hij bijna tegen de eerste Dementor opbotste toen deze bij de ingang van het fort kwam. Hier leken minder Dementors te zijn, en de jongen haalde voor een moment opgelucht adem – tenminste totdat ze door een redelijk imposante hal waren gekomen en enig gegil van de inwoners van het fort hem ter ore kwam.
  4. [1836/1837] Op een 'onbewoond' ei-hei-land...

    Keane werd wakker met zijn gezicht in de donkere, zwarte modder van het zandstrand. Kreunend en proestend kwam hij overeind, voor een moment totaal gedesillusioneerd. Hij zat onder het zand en modder, op zijn gezicht, haren en kleding, en voor een moment zocht hij naar zijn toverstaf om zichzelf er een beetje respectabel uit te laten zien – voordat hij zich herinnerde waar hij was, waarom hij hier was en waardoor hij geen toverstaf had. Suf staarde hij voor een moment naar de wilde zee, voordat hij zich omdraaide en een opnieuw halve hartverzakking kreeg. De Dementor was weg – als dat een Dementor was geweest, want hij had het wezen slechts in een flits gezien voordat de grond wel erg dichtbij was gekomen – maar het enorme fort reikte op indrukwekkende wijze de hoogte in, torende boven het rotsige eiland. Het zag er eng en ondoordringbaar uit, helemaal niet voorzien van de palmbomen die hij zich bij een ‘eilandgevoel’ had voorgesteld. Ietwat verward stond hij op en klopte hij het zand van zijn dikke mantels, voordat hij met verkleumde vingers naar zijn zakhorloge zocht. De gouden wijzers waren echter gestopt met draaien, waarschijnlijk door een overvloed aan water en kou. Zuchtend, zijn warme adem wolkjes veroorzakend in de koude lucht, staarde hij naar de zon, welke niet bepaald te zien was achter de dikke en regenachtige wolken. Anderhalf uur, had de Schouwer gezegd. Maar hoeveel tijd was er al verlopen sinds het bootje was vertrokken? En hoe lang had hij nog? Was het niet beter om gewoon hier te zitten wachten tot de Schouwer hem weer kwam ophalen? De Burggraaf draaide zich nogmaals richting het fort en schudde zijn hoofd. Hij was nu eenmaal zo ver gekomen… als het gebeuren echt zo verschrikkelijk bleek te zijn, kon hij altijd nog terug. Terwijl hij met soppende laarzen een nauw paadje over de steile rotsen begon te beklimmen, dacht hij terug aan de Dementor. Hij wist eerlijk gezegd niet zo goed wat er zojuist was gebeurd. Het was een wezen geweest in lange, zwarte vodden, het gezicht bedekt door een overslaande kap. Had nooit iemand gedacht om die Dementors betere mantels te geven? Azkaban, tenminste in zijn optiek, moest toch iets magistraals uitstralen, iets wat met hun Magische Ministerie en de Staat te maken had. Waarom dan zulke naargeestige zwarte en gescheurde lappen, die toevallige bezoekers de stuipen op het lijf jaagden? Want ja, die Dementors waren wel eng enzo, en je voelde je geheel naargeestig en alleen en overweldigd door negatieve gevoelens… maar die kleding kon echt niet! Misschien als ze een wat vrolijkere kleur droegen, goud of zilver met blauw voor zijn part, dan zouden ze er toch wat aanspreekbaarder uitzien en hun status als afgezanten van het Ministerie op een wat nettere wijze uitdragen. Afwezig streek Keane met zijn handen door zijn donkere haren om het meeste zand te kunnen verwijderen, terwijl hij langs een kleine begraafplaats kwam. Er stonden nauwelijks kruizen, maar bij ieder netjes gegraven graf lag een steen met daarop een naam en een geboorte- en sterfdatum. Keane bleef staan, voornamelijk omdat de begraafplaats net buiten een metershoog, ijzeren hek was geplaatst welke de gehele lengte van het eiland overspande. Hij dacht dat hij had gelezen dat Felicia van het eiland af had gemogen voor haar moeders begrafenis, wat betekende dat hier waarschijnlijk alleen de mensen werden begraven die geen familie hadden. Wat een verschrikking! En wat een opluchting dat het enkel criminelen waren die hier hun lot tot in de verdoemenis moesten uitzitten. Nuja, criminelen en hen die hun proces moesten afwachten, zoals achttien-jarige meisjes als Felicia, om vervolgens weer terug te moeten bij de veroordeling en dan hier te moeten sterven… Keane slikte, duidelijk niet op zijn gemak op de duistere plaats, voordat hij zichzelf met moeite dwong de enkele stappen richting de enorme poort te zetten. Even twijfelde hij, voordat hij zijn hand ophief en driemaal op de zware, met ijzer en lood afgezette deur klopte… … en een Dementor de deur krakend en piepend open deed. Naar binnen mocht je van de Dementors heus wel in Azkaban, naar buiten was een ander verhaal.
  5. Natuurlijk hoorde hij haar haperen, al kon hij de blik op haar gezicht niet zien. Maar hij had haar gezichtsuitdrukking ook niet echt nodig om de twijfel in haar stem te horen – wellicht was het zelfs beter, want over het algemeen hield ze zichzelf redelijk in de plooi. Of nuja, beter… Keane was wel het type die het sprookje boven de werkelijkheid zou verkiezen, die liever in schijn en leugens leefde dan de botsing met die harde waarheid aan te gaan. Overigens verschilde hij op dit punt niet erg van Josephine – behalve dan dat hij wellicht nog enigszins door had als hij zijn kop onder het zand stak, onder hoeveel lagen die werkelijkheidszin ook zitten zou. Zijn echtgenote sloot zich daarentegen geheel af van enige realiteit, mocht die niet aan haar wensen voldoen. Nu wist Keane ook heus wel dat Josephine niet het meest fantastische leven had, terwijl ze zijn ring droeg om haar vinger. Hij probeerde hier doorgaans niet aan te denken, want het gaf hem wel enig schuldgevoel – en het probleem was dat het hem wellicht slecht kon laten voelen, maar dat hij er ook weer niet zoveel aan wilde doen. Hij wilde dat ze er voor hem was als hij haar nodig had, maar daarbuiten wilde hij dat ze zich vermaakte op haar eigen manier, met haar eigen vriendinnen, in haar eigen tijd. En hij wist ook wel dat al haar vriendinnen op Zweinstein zaten, dat ze alleen in dit grote huis zat met zijn huiself en dat ze zich waarschijnlijk verveelde. Hij wist ook dat hij er wel meer voor haar zou kunnen zijn, maar dat dat ook niet de oplossing was die haar per se gelukkig zou stemmen – en hem al helemaal niet. Nee, het was beter als hij gewoon zijn eigen leven leidde met de Club en zwerkbal en zijn studie, en hij er ’s ochtends en ’s avonds dan voor haar was. Even was hij stil, terwijl hij zuchtte en zijn grip op haar schouders versterkte, voordat hij haar losliet en omdraaide. Hij keek haar aan en glimlachte, zijn handen losjes om haar middel. “Joos… als je even naar huis wilt, even naar je ouders, naar je zusje… dat mag best, hoor. Ik bedoel, ik kan je natuurlijk niet al te lang missen, maar als je daarheen wilt, voor.. nuja, een.. weekje, ofzo. Ik kan in het weekend komen en dan gaan we op zondag samen terug naar Cambridge.” Charlie was toch op Zweinstein, en als dit het compromis was zodat dit afschuwelijke schilderij weg kon, dan nam hij dat aanbod maar al te graag aan. Keane kuste zachtjes haar voorhoofd. “Hoe klinkt dat?”
  6. Persoonlijk Topic Dump

    Soort van persoonlijk topic! (BTW ik wilde Keane al zooo lang laten flauwvallen door een Dementor. Omg, it finally happened).
  7. [1836/1837] Op een 'onbewoond' ei-hei-land...

    De boottocht was verschrikkelijk. Bij het idee van Azkaban, gelegen op een eiland in de zee, had Keane ergens onbewust de associatie gehad van de kleine eilandjes die in het enorme Meer van Zweinstein lagen. Ja, daar was een Reuzeninktvis aanwezig en die was natuurlijk abominabel, maar de wateren waren meestal rustig. En ja, het meer van Zweinstein was erg groot, maar met voldoende geduld kwam je vanzelf op de eilandjes. Daarbij gaf het woord ‘eiland’ hem sowieso wel een goed gevoel, alsof de wuivende palmbomen hem al aan het opwachten waren en hij Felicia zou aantreffen met een halve kokosnoot in haar hand, badend in de felle zonnestralen terwijl enkele Dementors om de zoveel tijd controleerden of de gevangenen niet probeerden te ontsnappen via de rollende schuimkoppen van de zee, die in rustgevende golfjes aanspoelde. Een gevangenis hoefde naar zijn idee ook helemaal niet onprettig te zijn, zeker als je nog niet was veroordeeld voor het ten laste gelegde feit en een rijke familie had die je back-up verleende. Ja, natuurlijk zaten er ook werkelijk moordlustige mensen in Azkaban en voor hen was het vast geen pretje daar ze in dat fort van Rowle moesten vertoeven waar jarenlang mensen waren gemarteld, maar de rest had het vast niet zo erg, toch? Helaas had nog nooit iemand van zonnebadende Dementors gehoord. Op de een of andere manier had Keane toch wel verwacht dat óf de boot groter zou zijn dan het kleine, houten roeibootje wat de Schouwer had meegenomen om hem naar Azkaban te roeien – óf, nu het bootje dan toch zo klein was, dat het eiland net buiten gezichtsveld van het vaste land van Groot-Brittannië zou liggen. Wat hij niet had verwacht, was dat het lekkende bootje, klaarblijkelijk door magie aan elkaar gehouden – want de Schouwer had dan weer wel een toverstaf mee, er waren toch blijkbaar wel grenzen aan de regels als het om Schouwers ging – zowel de enorme golven moest trotseren als dat het uren leek te duren voordat ze eindelijk weer vasteland onder hun voeten hadden. Tweemaal moest hij zich met alles wat hij had vasthouden om niet in de kolkende, grijze watermassa te verdwijnen en de derde keer verloor hij ook daadwerkelijk zijn evenwicht en ging hij kopje onder. Hij was waarschijnlijk verloren geweest, ware het niet dat de Schouwer voor dit soort situaties was getraind en hem net voordat het te laat was weer naar binnen kon hijsen. Kletsnat, zijn dure mantels plakkend aan zijn lichaam, trillend van de kou en tot op het bot verkleumd, greep Keane zich vast aan de splinterige banken van het bootje, midden in de februaristormen op zee. En natuurlijk werd hij ook nog misselijk, wat ervoor zorgde dat hij zijn ogen dichtkneep en alleen nog maar kon wensen dat het over was, terwijl hij op de tijden dat het risico om overboord te slaan het laagst was, toch echt even van die gelegenheid gebruik moest maken. En toen, natuurlijk, was het ook sneller over dan hij had gedacht. Keane had het enorme fort met zijn ogen gesloten niet zien opdoemen in de relatieve duisternis van de stormen, en gelukkig had hij ook de enorme rotspartijen niet gezien waar ze bijna tegen aan gesmakt waren. Met een dreun landde het bootje tegen een miniscuul klein stukje zandstrand tussen de rotsen, zodat de Zwadderaar plotseling naar voren werd gegooid. De Schouwer ving hem handig op en begeleidde hem over de rand van de boot, waar hij als haast automatisch vanaf sprong. Zijn met bont afgezette, hertenlerenlaarzen landden in een laag zeewater, en Keane was nog half bezig dit te registeren toen de Schouwer zijn mond opende. “Ik ben over anderhalf uur hier terug. Wees niet te laat!” De man grijnsde. “Succes.” Keane voelde een harde tik op zijn hoofd, waar de Schouwer hem met zijn toverstaf raakte. Een warm gevoel verspreidde zich van zijn hoofd naar zijn vingers en tenen, en hij wist dat de man een spreuk had gebruikt die zijn mantels droogde. Nuja.. alles behalve zijn dure laarzen. Met een ietwat lege blik staarde hij naar het bootje, wat voor zijn gevoel met een snelheid die het zojuist niet had bezeten zijn weg terugvond naar open water. “Ik.. eh..” mompelde Keane, terwijl hij zich naar het enorme fort omdraaide wat achter de heuvel voor hem opdoende en hij ondanks de hervonden warmte een koude pit in zijn onderbuik voelde. Hij zette enkele stappen vooruit, zodat hij nu daadwerkelijk op het treurige stukje zandstrand stond. Het was ineens erg koud. IJzingwekkend koud. En hij voelde zich plotseling erg ongelukkig en alleen. “Ik.. ehm.. ik.. weet niet of…” Op dat moment kwam de Dementor en wist hij inderdaad even niks meer, aangezien hij was flauwgevallen.
  8. [1836/1837] Op een 'onbewoond' ei-hei-land...

    Azkaban is een eiland midden in de Noordzee, gebouwd in de vijftiende eeuw door een duistere tovenaar genaamd Ekrizdis, die Dreuzelse zeelieden richting zijn eiland lokte en ze daar martelde. Na zijn dood verzwakten de vele spreuken die hij over het fort had uitgesproken, zodat het kon worden gevonden door afgezanten van het Ministerie. Blijkbaar werden er binnen zulkse zwarte magie gevonden, dat men er niets over naar buiten durfde te brengen, behalve het feit dat er honderden Dementors woonden. Lang gebeurde er niets met het eiland, bang dat bij een aanpassing van de bestemming de Dementors naar het vaste land zouden komen of de donkere magie voor repercussies zou zorgen. Maar iets meer dan honderd jaar geleden, in 1718, besloot de Minister van Toverkunst Damocles Rowle Azkaban te gebruiken als tovenaarsgevangenis. Het was niet eens heel erg lastig gebleken om een overtocht naar Azkaban te regelen. Het had slechts enkele tripjes naar het Ministerie gekost, waar hij als enige erfgenaam van het Cadwgan fortuin naar binnen kwam door mee te gaan met zijn grootvader, en wat gezellige praatjes met wat Schouwers waarbij hij uiteraard wat met zijn titel van Burggraaf had kunnen zwaaien. Natuurlijk was een dagtripje naar Azkaban niet iets wat iemand zomaar ondernam, maar Keane merkte ook dat er maar weinig mensen waren die het bezoek vrijwillig zouden afnemen. Het was raar, maar op de een of andere manier was er een bepaalde diepte in mensen hun blik te vinden als je over Azkaban begon, een bepaalde mate van horror… en die houding maakte hem eigenlijk alleen nog maar nieuwsgieriger. Was het dan echt zo erg? En waarom? Blijkbaar was de naam alleen al genoeg om de haren op de ruggen van de Ministeriewerkers overeind te laten staan en lokte de plaats zulke reacties uit. Het belangrijkste was echter dat het was gelukt iemand voor de oversteek te regelen - met een zak geld kwam je altijd wel ver. Hij en de Schouwer zouden eind februari gaan, in een klein bootje, en hij zou zijn toverstaf niet mogen meenemen. Dat laatste klonk niet echt heel erg fijn – Keane nam altijd overal zijn toverstaf mee naartoe, en als hij van Felicia’s lessen moest uitgaan was een tripje naar een magisch eiland waar duistere magie heerste en Dementors de baas uithingen zeker een gelegenheid waar hij zijn toverstok voor in bezit wilde hebben, maar aan de andere kant… als afgevaardigde van het Ministerie kon hij er natuurlijk wel vanuit gaan dat de Dementors naar hem zouden luisteren, met of zonder toverstaf. En daarbij hadden de rest van de mensen (eh, gevangenen) op het eiland, inclusief de Dementors, ook geen toverstaf! Dus dat zou geen probleem zijn, toch? Of nuja, zo maakten de Schouwers hem dat wijs, drankje in hun hand – al ging de cynische ondertoon op dat moment helaas aan Keane verloren.
  9. [1836/1837] Op een 'onbewoond' ei-hei-land...

    Maar er was ook nog een andere reden dat Keane naar Azkaban wilde. Want… het was Azkaban, een plek waar slechts mondjesmaat boeken over waren gepubliceerd, een onderwerp waar men het in de volksmond over had als iets dat bestond, maar waar nooit diepgaand aandacht aan werd besteed. Och ja, het werd genoemd in de Ochtendprofeet, voornamelijk ter beschrijving van welke misdadigers er nu weer heen waren gestuurd... maar voor de rest bleef de plek in duisternis gehuld. Jaren geleden had Keane echter een van de weinige boeken over de geschiedenis van Azkaban in een zwarte kunsten sectie van zijn grootvaders collectie in Cadwgan Castle gevonden, waarbij de schrijver de donkere poorten ophemelde; de enorme muren romantiseerde, om van de Dementors maar niet te spreken. Ja, de Dementors... Keane had nog nooit in zijn leven een Dementor gezien, maar zo’n wezen moest toch wel fantastisch, duister en imposant zijn. Oke, hij had de afgelopen jaren en maanden wel iets anders aan zijn hoofd gehad dan een bezoek aan Azkaban te plannen, maar nu leek de hele situatie zich er op de een of andere manier voor te lenen, alsof de puzzelstukjes als vanzelf in elkaar waren gevallen en het enige wat hij nog moest doen, was de kans aangrijpen en ook daadwerkelijk gaan.
  10. Februari 1836 Er was niet één bepaald moment aan te duiden waarop Keane had besloten dat hij Azkaban wilde bezoeken. Het was eerder een geleidelijk proces geweest, een combinatie van factoren. Eerlijk gezegd was het voor hem best een shock geweest toen Felicia Harding werd opgepakt, voornamelijk omdat hij het niet had zien aankomen. Ja, hij kon zich best voorstellen dat ze in staat zou zijn het feit te plegen waarvoor ze nu (voorlopig) vast zat – het was eerder dat hij zich niet had kunnen voorzien dat ze ook daadwerkelijk gepakt zou worden. En daarnaast, als ze dan het risico zou nemen om gearresteerd te worden voor zo’n feit, dan had hij zich voorgesteld dat het iets groots zou zijn, iets wat met een of ander politiek of crimineel plot te maken zou hebben waar ze zich op de een of andere manier mee bezig hield. Wellicht als het was gegaan om de Minister van Toverkunst of de vice-voorzitter van de Magische Wikenweegschaal of… zijn grootvader. Nu was er uiteraard een kans dat de zus van Valentine inderdaad iets had gedaan, iets had gezien of iets had geweten dat iemand tegen stond, dat Felicia daarom was gedwongen of overgehaald zich daaraan te wagen - maar ze was altijd goede vriendinnen geweest met Daniella, en Dani was nu getrouwd met Valentine, en… Nuja, ook daar wrong het. Als hij Daniella ook maar een beetje kende, dan zou de moord op haar schoonzus wellicht erg zijn, maar het feit dat Felicia ervoor vast zat ook. Maar Dani gaf blijk van een houding die sprak dat ze Harding liever kwijt dan rijk was en de Ravenklauwer voor haar part in de tovenaarsgevangenis mocht wegrotten. En daarnaast kreeg hij zo weinig informatie uit Dani dat het ook daar leek alsof ze iets achterhield. Nu wist hij ook niet zeker of hij de details van haar kant wel weten wilde, bang om ook zelf in dit proces getrokken te worden… maar ergens, voor zijn gevoel, schortte de situatie aan alle kanten en miste er een link.
  11. [1836/1837] Music is the strongest form of magic

    Keane sloot de klep van de piano en draaide zich om, zodat hij zichzelf gemakkelijk tegen het instrument kon laten aanleunen en nog steeds met Heaven kon praten. Hij voelde zich al een stukje opgewekter dan vanochtend, maar toen het meisje over de afkomst van zijn kunsten begon twijfelde hij even, de ganzenveer nog steeds afwezig in zijn vingers draaiend. “Mijn moeder heeft me leren spelen” sprak hij uiteindelijk, de vage lijnen van een glimlach nog steeds op zijn gezicht. Het was duidelijk dat het voor hem een moeilijker onderwerp was dan de muziek zelf. Maar een handjevol mensen wist hoe zijn familiesituatie daadwerkelijk in elkaar stak, maar het was wellicht niet erg om Heaven aan die lijst toe te voegen – het was ook niet werkelijk geheime informatie, of iets. Maar nadat hij zijn moeder had bezocht met Eva afgelopen zomer, en hij toen alsnog – voornamelijk door haar aanmaning - met Josephine was getrouwd… Op de een of andere manier maakte dat de situatie allemaal nog veel ingewikkelder. “Eerst op de piano, en toen op de cello. De cello had altijd mijn voorkeur, maar ik weet niet… de afgelopen tijd ben ik weer een beetje teruggekomen op de piano. Het is beter voor composities. En iets makkelijker uit te leggen aan toevallige voorbijgangers.” Hij grijnsde opgewekt. “Maar ik werd door mijn grootvader bij haar weggehaald toen ik tien was en hij wilde niet dat ik speelde. Niet echt eh.. mannelijk, vond hij. Geen geschikte bezigheid voor een erfgenaam – en dus hij heeft me nooit van muziekdocenten voorzien. Natuurlijk was het op Zweinstein wel anders en ik had best een goede basis van mijn moeder meegekregen, dus ik kon zelf wel een beetje bedenken hoe de muziek in elkaar moest steken. Het is eigenlijk best.. wiskundig, als je er wat dieper over nadenkt…” Even liet hij een stilte vallen, voordat hij opkeek. “Heb jij nog bijzondere hobbies aan je jeugd overgehouden? Of waren je ouders daar niet zo van?”
  12. Ah, er was blijkbaar toch een limiet aan haar gedweeheid. Keane had dat heus wel geweten, en toch had hij het soms nodig om die grenzen op te zoeken – al zou dat hem immer ongestemd achterlaten. Zijn blik werd dan ook wat duisterder terwijl hij zijn armen iets liet zakken en zijn rug rechtte. Het schilderij was ondertussen naar beneden gekomen, en hij keek hoe Josephine het voor nu maar even tegen een stoel zette. De geschilderde Charlie tilde het kleine zusje op, die gillend van plezier haar armen om zijn nek sloeg. Ze zagen er gelukkig uit. En Evangeline had dat geschilderd, haar kwast was urenlang bezig geweest met de precieze details, haar amberkleurige ogen gericht op Charlemagne, daar ergens in Gordon Castle, terwijl ze vast drankjes had gesipt die de bediendes haar hadden aangeboden, en… Ugh. En toch, er leek van Josephine’s kant iets diepers achter te zitten dan enkele liefde voor een schilderij. Als echtgenoot was het je taak dat soort kleine signalen op te vangen, en Keane - ondanks zijn eigenzinnigheid als het ging om dit huwelijk - was er niet geheel ongevoelig voor. Hij liep om het schilderij heen, voornamelijk zodat hij het niet meer hoefde te zien, en schaarde zich achter Josephine. Hij had heus wel andere manieren om zijn zin te krijgen als zijn meest geprefereerde optie niet werkte. Keane legde zijn ene hand op haar schouder en masseerde haar zachtjes, terwijl hij met zijn andere wat opgestoken plukjes haar wat aan de kant veegde en haar enkele kusjes in haar nek gaf. “Maar Josephine” sprak hij, sussend. “Je hebt mij toch? Is dat niet genoeg? Ben je soms.. eenzaam?” Hij liet zijn vrije hand afzakken naar haar buik. “Want dan weet ik nog wel een bezigheid die kan resulteren in meer gezelligheid in dit lege huis.”
  13. [1836/1837] Music is the strongest form of magic

    “Zonder enige twijfel” sprak Keane lachend. Hij trok zijn hand van de hare, een twinkeling in zijn groene ogen. Hij vond het leuk om mensen muziekles te geven – had vast iets te maken met het feit dat hij ervan hield mensen rond te commanderen, en ze het in dit geval ook nog op prijs stelden om zijn aanwijzingen op te volgen – maar daarbij was Heaven.. nuja, laten we zeggen dat het verre van onplezierig was om hier zo dichtbij haar te zitten en haar te moeten aanraken. Al stelde het misschien niets voor, Keane was gewoon toe aan iets luchtigs, aan iets opgewekts waar al die andere facetten in zijn leven niets mee te maken hadden. Iets zonder ingewikkelde keuzes over schilderijen en echtgenotes en roodharige meisjes die maar door zijn dromen bleven spoken. En natuurlijk had hij zijn vrienden bij de Club, zwerkbal… maar dit was toch een beetje anders. Hij schonk haar een opgewekte grijns. “Ga door” maande Keane haar vrolijk, terwijl hij zijn blik wederom naar de toetsen verplaatste. Hij wachtte tot ze de melodie weer had opgestart en begon met zijn linkerhand, waarbij hij haar duidelijke bastonen gaf die haar in de goede richting duwden met betrekking tot het ritme. En vervolgens begon hij met zijn rechter. Eerst zette hij een melodie aan die leek op de hare, maar al snel week hij hiervan af en begon het improviseren. Het was een lieflijke melodie, al zochten zijn vingers al gauw de meer experimentele tonen, week het toch een beetje af van het gewone, het normale. Even speelde hij door, totdat hij merkte dat het toch een beetje veel werd voor de nieuw aangeleerde pianokunsten van het meisje naast hem, en hij het stuk naar een einde toewerkte. Hij eindige ietwat grootst, pompeus, en stond op, waarbij hij Heaven mee omhoog trok aan haar elleboog. “Buig voor ons denkbeeldige publiek!” sprak hij opgewekt, terwijl hijzelf grijnzend een nette buiging maakte. “Prachtig, dankjewel. Ik noem het…" Zijn vingers speelden even afwezig met de veer die hij op de piano had laten liggen, voordat zijn blik de hare zocht. “Heavenly music.”
  14. Donderdag 19 januari 1837 De Nachtclub van Dani & Val Oke, het was misschien twee uur ’s middags op een door de weekse dag – maar dat weerhield Keane er niet per se van om nu al met een cocktail voor zijn neus aan een bar te hangen. Hij was in een nachtclub – en niet zomaar in een, maar in die van Dani en Valentine - dus dan was het niet heel vreemd, toch? Ook al was het nu overdag. En al waren de lichten gewoon aan. En al zou hij eigenlijk nu een college aan het volgen moeten zijn. Terwijl hij zich uitrekte en op zijn gemak nog een slok van het zoete, alcoholische drankje nam, trok Keane de Ochtendprofeet nog wat dichter naar zich toe en liet hij zijn blik over een klein artikeltje onderaan pagina zes glijden. Er stond niet iedere dag iets in de krant over Felicia, maar toch wel vaak. Hij merkte dat hij er uit een soort automatisme naar zocht, uit een interesse die voortkwam uit het feit dat hij haar kende en ze elkaar het afgelopen jaar best vaak hadden gezien. Toegegeven, ze hadden het grootste gedeelte van het jaar ruzie gehad, zoals altijd – maar ze had hem toch nog best wel geholpen met zijn duelleerkunsten (die hij hoopte nooit nodig te hebben) en de gieter die ze hem had gegeven had hij nog steeds in zijn bezit. En het was natuurlijk ook niet dat ze nooit eerder was opgepakt. Maar nu… nu zat ze in Azkaban, en hoe langer de situatie leek voort te duren, hoe serieuzer het allemaal leek te worden. Keane wist niet zo goed wat hij ervan moest vinden. Het had zich er niet al teveel in willen verdiepen, voornamelijk – er was klaarblijkelijk iets gebeurd tussen Felicia en de Ingrams, maar door vragen te stellen zou er zelfs een kans bestaan dat hijzelf bij het gehele debakel betrokken zou worden, en dat was verre van de bedoeling. En toch. Dani was klaarblijkelijk opgelucht geweest dat Felicia was opgepakt, iets wat natuurlijk alleen maar logisch was in de omstandigheden. Nuja, als de aanklachten waar waren. En Keane had geen enkele reden om aan te nemen dat de aanklachten niet waar waren – hij zou Daniella boven Felicia vertrouwen, al had ook dat vertrouwen zeker zijn grenzen. En toch. Toch was er iets, iets… Op de een of andere manier zou hij inderdaad Dani eerder vertrouwen dan Harding, maar er was nog iets anders waar hij vertrouwen in had gehad – namelijk, niet per se in Felicia zelf, maar wel in haar kwaliteiten. Hij had haar enkele geheimen toevertrouwd die verder bijna niemand kende. Hij had een pact met haar gesloten dat ze hem te hulp zou schieten als hij haar nodig had (iets wat trouwens lastig voor haar zou worden om zich in deze omstandigheden daaraan te houden, ondanks de goudstukken die hij haar had betaald). En hij had niet verwacht dat, als de aanklachten al waar waren, ze ervoor opgepakt zou worden. Daarbij leek Dani wel erg zoetjes en gemakkelijk in de gehele aanklacht mee te gaan, al ging het om haar schoonzus, ondanks dat de twee toch lang vriendinnen waren geweest - en dat was niet geheel hoe hij Daan kende. Er leek iets mis, iets niet geheel te kloppen. En het leek alsof Daniella wel eens zou kunnen weten wat, gewoonweg omdat het Daniella was, en het hele 'hoe', 'wat' en 'waarom' van dit vreemde verhaal voor hem tasten in het duister was. “Daan, het drankje is erg lekker” grijnsde Keane zijn vriendin toe, toen die weer terugkwam nadat ze even was weggeweest - drankflessen had bijgevuld, of iets - en op de barkruk naast hem neerzakte. Hij had haar een vrijbrief gegeven om iets voor hem te maken, en dat was geen verkeerde keuze geweest. De burggraaf schraapte zijn keel terwijl hij de Ochtendprofeest dichtsloeg en deze aan de kant schoof. Wat was de beste ingang? Het was natuurlijk een best lastig onderwerp. “Heb je eh.. heb je gehoord dat Felicia’s moeder was overleden?” Hij speelde even afwezig met het rietje van de cocktail, voordat hij Dani aankeek, nieuwsgierig naar haar reactie. “Er stond een tijdje geleden een rouwadvertentie in de krant.” OOC: Prive!
  15. Dinsdag 14 februari 1837 - Valentijnsdag Ergens in Schotland bij Gordon Castle (landgoed van de Gordon-Lennoxen) of net daarbuiten Had ze er ooit lieflijker uitgezien? Haar rode krullen vielen zachtjes pluizend langs haar ietwat rozige wangen, bedekt met lichte wintersproetjes. De dikke, met bont afgezette mantel die ze van Josephine had geleend paste haar perfect en accentueerde precies de juiste plekken. Maar het was vooral Evangeline zelf – ze zag er beter uit dan hij haar in maanden had gezien, tenminste op die sporadische momenten dat ze elkaar niet ontwijken konden. Ondanks de kou had ze weer wat kleur op haar wangen, lachte ze op momenten waarin ze even zichzelf leek te zijn en niet zo op haar omgeving lette. Het was dat ze Charlemagne als gesprekspartner had, wat moest verklaren waarom ze soms ietwat nerveus op de bank heen en weer schoof, maarja, dat had ze aan zichzelf te danken. Als ze niet zo koppig was geweest, als ze hem niet had willen straffen voor het feit dat hij was doorgegaan met het huwelijk met Josephine – want van alle mensen in de wereld, werkelijk allemaal, moest zij net diegene kiezen waar hij een gruwelijke hekel aan had en die er ook nog eens voor zorgde dat ze nu, vandaag, met z’n vieren moesten doorbrengen, en – “Keane, kijk uit!” Het was dat Josephine’s gealarmeerde uitroep hem weer op de witte, besneeuwde weg deed letten, zodat hij op het laatste moment kon verhinderen dat de slee met vier ingezetenen tegen een boom aan knalde. Hij trok de paarden in de plotselinge reflex hard naar rechts, zodat de twee dames in de slee naar binnen werden gegooid. Hij hoopte dat Charlie de slee uit was geslingerd, maar wat gehijg vertelde hem dat zijn zwager zich er helaas ook nog in bevond. Keane onderdrukte de neiging om zich wederom naar Eva om te draaien om te vragen hoe het met haar was, en sloeg in plaats daarvan zijn arm om zijn echtgenote en toverde zijn meest bezorgde blik tevoorschijn. “Sorry lief, ik lette even niet op! Zonder jou waren we tegen die boom geknald!”. Ietwat buiten adem na die valide uitspraak kuste hij haar goudkleurige haren en nam haar handen in de zijne, waarbij hij de teugels nonchalant losliet. “Gaat het met je? Heb je je bezeerd?” Ugh, waarom was Josephine ooit met dit idee gekomen! Waarom moesten ze, van alle uitjes die je ook maar kon bedenken op Valentijnsdag, juist op deze vervloekte dag de Schotse sneeuw in met het slechts gezelschap dat iemand ooit maar samen zou kunnen stellen? Hij op de bok met Josephine aan zijn zijde, en Charlemagne achter hen, die mee moest omdat Josephine hem zo graag mee had gewild, en hijzelf die had ingestemd – mede vanwege dat hele schilderijen debakel, en dan had zijn zwager ook nog, als date, met Valentijn… Ja, het kon niet anders dan dat Eva hem had willen straffen. Want waarom zou ze anders ooit instemmen met Charlie uit te gaan? En nee, hij zou zichzelf niet voorhouden dat het om het geld zou zijn – hij zou haar liever honderddduizend galjoenen geven, dan haar aan Charlemagne's zijde te zien! Ondanks dat zijn grootvader daar waarschijnlijk wel andere ideeen over had, ahem. Maar goed. Nu waren ze hier, in die vervloekte slee, en nu had hij het ook nog eens bijna verpest door ze te laten verongelukken. “Sorry!” riep hij vrij algemeen naar achteren, ditmaal zonder zich nogmaals om te draaien, want hij wilde niet zien hoe Charlie Eva zou troosten door datgeen wat hij had gedaan, en hij trok Josephine ietwat uit zijn hum nog wat dichter tegen zich aan. Als zijn ex het kon spelen, dan kon hij het ook. Met zijn andere hand pakte Keane de teugels wederom op en liet hij de paarden weer tot een drafje komen. “Heb je het koud?” vroeg hij extra zorgzaam aan Josephine. Hij trok de deken weer over hun knieën en kuste haar lippen – wellicht een tikje te lang, waardoor het scenario van zojuist zich bijna weer herhaalde. Normaalgesproken was hij wel goed met alles wat met paarden te maken had, maar vandaag leek het niet zo te lukken. Dit zou er waarschijnlijk echter wel voor zorgen dat hij zowel Eva als Charlie mooi zou kunnen ergeren, en dat maakte het missie dan toch geslaagd. “Anders heb ik denk ik achterin nog wel een deken voor je - of moet ik soms een andere manier verzinnen om je op te warmen?" Hij grijnsde en beet zachtjes in haar oor. OOC: Prive met Ann, Irene en Milou!
×