Jump to content

Ate Damarcus

Magisch Verbond
  • Content count

    12
  • Joined

  • Last visited

  1. [1838/1839] All I know is patience

    Ate hield niet van straffen, eerlijk gezegd. Het was niet iets waar ze ooit bij stilstond als een optie – straffen was voor rechters en Ate was geen rechter. Het leek gewoon niet… haar plaats. Wat kende zij van rechtvaardigheid? Misschien was het gewoon rechtvaardig dat Matthew haar niet zag staan, eenvoudigweg hoe de dingen moesten zijn. Misschien was het rechtvaardig dat hij niet van haar hield omdat het recht van het universum dicteerde dat hij van iemand anders zou houden en dat er iemand anders van háár zou houden. Misschien hadden de rechters van het universum hier zelfs niets mee te maken, hadden ze belangrijkere zaken om aandacht aan te besteden en zeurde ze gewoon te veel. ‘Moet ik wel iets doen?’ uitte ze haar twijfels. Haar ogen gleden naar de ritmische bewegingen van Duessa’s vijl, heen en weer en heen en weer en heen en weer, voor ze het plafond opzochten, als was het om een oordeel van de rechters te verzoeken. Gewoon. Iets dat ze gebruiken kon als handleiding. Misschien moest ze Duessa’s redenering hanteren als gids, zoals ze elke keer weer deed. Duessa snapte de wereld beter dan zij. ‘Ik bedoel… ik kan hem niet leren hoe het voelt om zo behandeld te worden, toch? Hij geeft niets om mij, dat is het punt juist…’ Heel eerlijk? Als ze wel op het punt kwam dat hij om haar begon te geven en ze hem dan moest “dumpen”, zou ze dat laatste toch nooit doen. Ze wílde dat hij van haar hield. Nog altijd.
  2. ‘Ik ook niet,’ gaf ze goudeerlijk toe. Ate was een vreemdsoortige combinatie van een doodeerlijke mythomaan, een web van lichtvoetige leugens en een serene spin die nooit wat anders dan oprecht was geweest. Ze hield niet zo van bewust liegen, vond het een naar idee, al helemaal over zichzelf, de persoon die ze was, maar haar achtergrond maakte het evenzeer onmogelijk om niet te liegen. Zoveel aan de familie waarin ze was opgegroeid, kon beter achter gesloten deuren blijven, en Ate had zich daar altijd keurig aan gehouden. En toch. Doen alsof ze wel een drinker was, zou verkeerd voelen. ‘Iedereen doet het wel, maar ik weet eigenlijk niet wat er echt aan is… Het lijkt meer slechts op te leveren dan goeds, vind je niet?’ Zeg alsjeblieft ja. Dan waren ze het ergens over eens. Was dat niet de eerste stap? ‘Dat is goed,’ zei ze vriendelijk, al vond ze het wel jammer dat ze meteen weer weg wilde. Kon ze echt niet blijven? Bij haar? Om nog even te babbelen? Vriendinnen babbelden met elkaar, en in de glimlachjes en gemoedelijke toon wilde ze zo, zo graag een ontluikende vriendschap lezen. ‘Oh, ik wist niet dat je getrouwd was…’ Dat moest ze nakijken, prentte ze in haar hoofd. Met wie. Sinds wanneer. Of het goed ging. Zo ja moest ze daar misschien iets aandoen, zodat ze een luisterend oor kon zijn. Op zulke dingen berustten menselijke relaties. ‘Ja, vast… Zeker als je dit niet zo vaak doet…’ Blijf, blijf, blijf. ‘Hopelijk denkt hij er niets verkeerds van…’
  3. [1838/1839] All I know is patience

    Dat Duessa het verschrikkelijk noemde, was een opluchting. Dan was er iemand die het met haar eens was, iemand die haar pijn voelde en het niet afdeed als haar verdiende loon of gewoonweg normaal, boys will be boys, dit had ze toch echt kunnen weten, zoiets in die aard, en het was al helemaal geruststellend omdat het Duessa was. Duessa was haar kompas, haar poolster, haar basiswaarde, en zolang Duessa en zij op één lijn zaten, was het goed. Betekende niet dat het minder pijn deed dat Matthew nooit van plan was geweest om met haar uit te gaan, dat was en bleef een gonzend zeer, die hechtingen van hoop er bruut uitgereten om een open wonde van de eenzame realiteit bloot te leggen, maar hé, Duessa vond het tenminste volledig zijn schuld. Dus. Dat was alvast íéts. Ze ging op de door Duessa aangewezen plek zitten, deed voorzichtig haar schoenen uit (Matthews schoenen, was ze ze in gedachten beginnen noemen, maar nu waren ze alleen maar een te prominente herinnering aan haar stompzinnige hoop) en trok haar benen op. ‘Ik weet niet wat nu,’ antwoordde ze eerlijk, terwijl ze een zakdoek sommeerde om vakkundig een paar traantjes te deppen. ‘Ik wil gewoon dat hij me wél wil…’ Maar ook niet, want ze wilde niet het type dat haar zo behandelde, maar de persoon die hij hiervoor bij haar was geweest, was wel perfect geweest. Wat was in vredesnaam de waarheid dan? ‘Is er iets dat ik nu kan doen behalve hem mijden dan?’ Ze trok een gezicht bij de gedachte eraan. ‘Hij is me echt keihard aan het uitlachen, hè…’
  4. 14 september 1838 Ate raakte haar hart niet gemakkelijk kwijt aan mensen, maar hij had het wel in handen kunnen krijgen. Hij had met haar gepraat, eerst pure smalltalk, koetjes en kalfjes om het groepswerk dat ze samen moesten maken door te komen, maar gaandeweg waren de gesprekken interessanter geweest. Was ze begonnen met zijn woorden achteraf opnieuw te beluisteren in haar hoofd. Had ze zijn lach kunnen neuriën als ze een grap maakte die hij leuk vond. Als ze creatief was geweest, had ze hem uit haar hoofd kunnen tekenen, zo goed kende ze zijn trekken. Rossig bruin haar, technisch gezien kort, maar het type lang van iemand die niet snel genoeg naar de kapper gaat, iets waar ze hem voorzichtig mee had durven plagen (en hij had gelachen, vrolijk, alsof hij het niet erg vond, alsof het hem niet uitmaakte, en dat type nonchalance had ze bijna evenzeer begeerd als hem). Langer dan zij, al zei dat niet veel, lang genoeg dat op haar tenen staan niet genoeg was om zijn gezicht te bereiken. Atletisch gebouwd, spieren gekweekt die hij keurig verborg onder iets te grote truien — ze had ze pas gezien toen ze naar een van zijn wedstrijden was gekomen. Hij had haar op de tribune gezien, had naar haar gezwaaid, enthousiast geoogd dat ze gekomen was, en haar dag had niet meer stuk gekund. Hij had haar mee uit gevraagd en natuurlijk, natuurlijk had ze ja gezegd. Waarom zou ze niet? Ze voelde zich uitverkoren, iemand die haar leuk vond, iemand met wie ze werkelijk praten kon zonder dat ze bang hoefde te zijn om niet begrepen te worden. En nog meer zelfs, hij had veel vrienden, en iets daaraan was geruststellend. Alsof ze niet gedoemd was tot een eenzaam bestaan als iemand als hij in haar geïnteresseerd kon zijn. Toen de dag gekomen was, had ze haar best gedaan om er mooi uit te zien, een beetje meer als Duessa als normaal, maar het was voor niets geweest. Had ze uiteindelijk begrepen tenminste. Ze snapte niet waarom hij haar gevraagd had als hij later niet was komen opdagen en ze snapte niet waarom hij zo minachtend snoof toen ze vroeg waar hij gebleven was toen, waarom hij lachte bij het idee alleen al dat ze serieus gedacht had dat hij in haar geïnteresseerd had kunnen zijn, maar ze snapte wel dát hij het deed. De les zat ze nog uit, maar zo snel als ze kon, stormde ze weg. Een aantal tranen ontsnapten aan haar normaal zo ijzige grip, maar alles hieraan voelde buiten haar greep, alsof ze alleen maar een naïeve speelbal was geweest in plaats van het spel mee te spelen. Wat moest ze daar zelfs mee? Ze had één keer durven hopen en nu was het… dat. Ze klopte, één, twee, drie, en kwam binnen in Duessa’s kamer. ‘Matthew was het niet vergeten,’ meldde ze. Ze had het geopperd, gisteren, had erop gehoopt, maar kijk eens aan. ‘Hij vindt me gewoon niets.’ Ugh. Ze keek naar haar schoenen, de schoenen die ze tegenwoordig constant droeg omdat hij er eens een compliment over had gegeven. ‘Hij noemde het een weddenschap.’ OOC: Privé met Lily! <3
  5. Kijk! Het werkte. Streng vertelde ze zichzelf in gedachten dat ze nu haar toneelstukje niet moest gaan verpesten door zelfingenomen te kijken of wat dan ook, dat ze nu een stapje dichter was bij een vriendschap met Paige Everett, maar dat ze nog bijlange niet bij haar eindpunt was. Nu moest ze het frêle vertrouwen in stand houden. Vriendelijk zijn. Paige zover krijgen dat ze het liet gaan als één rare, rare avond en ervoor zorgen dat Paige haar oprecht aardig vond en eens met haar wilde afspreken. Ze glimlachte terug, als was het om haar bekend te maken met haar lach (niet helemaal symmetrisch, maar ze wist niet zo goed wat ze daaraan doen moest), in de hoop dat Paige haar ermee zou associëren. Deden mensen dat? Ate kon zich niet herinneren dat zíj dat deed, maar Ate kon eveneens ook niet helemaal de gelijkenissen tussen haarzelf en andere mensen zien. Wat haar betrof behoorde Paige tot een heel andere soort dan zij. ‘Nee, hoor,’ stelde ze haar gerust. Oké, ze had een beetje in haar slaap gepraat, dat had ze wel weer gehoord, maar zo beschamend was dat niet, dacht ze. Veel mensen deden dat. Ze had niets gezegd wat ze echt had kunnen verstaan, niets waaruit ze iets had kunnen opmaken – gold het dat eigenlijk nog als praten? Misschien was brabbelen een beter woord, een nauwkeurigere beschrijving. ‘Niet dat ik weet, alleszins.’ Dat was zo, overigens. Voor zover Ate wist, had Paige zich heel keurig gedragen. ‘Toen je hier aankwam, viel je vooral als een blok in slaap.’ Was dat een goed excuus? Ja, toch? ‘Overkomt dit je vaker?’ vroeg ze. ‘Zo nee snap ik wel waarom je zo in de war bent…’ Dat klonk alsof ze er niets mee te maken had, niet?
  6. [1838/1839] Truth looks like you

    Aan de ene kant was dit een goede reactie: hij was nog niet kwaad, nog niet per se. Vader was dwingend en streng en scheen er geen moment bij te hebben stilgestaan dat dat niet was waarvoor ze kwam, maar hij was nog niet kwaad en dat was een redelijke respons. Dat beloofde niets, natuurlijk niet, maar Ate kon zich niet herinneren dat er iemand in dit huis aan beloftes deed. Dat hoefde ook niet. Het enige wat ze nodig had, was één moment van goede wil, of zelfs een moment waarop hij bedacht dat het goed genoeg was als enkel Duessa hier was. Haar loslaten, voor even en even, in de wetenschap dat ze braaf terug naar huis zou fladderen. Alleen maar met een beetje kennis erbij. Maar aan de andere kant wilde ze gewoon een “oh, oké”. ‘Dat hoeft niet – ik wil graag gaan,’ beargumenteerde ze, al wist ze zelf ook wel dat wat zij wilde an sich geen degelijk argument was. Hij wilde niet en dan zat je daar met een impasse, en ze wist net zo goed als elk ander dat haar wensen net iets minder opwogen tegen de zijne, hoe frustrerend ze dat ook kon vinden, met een innerlijke vrouwe justitia die er te veel graten in zag om een oogje dicht te kunnen knijpen. ‘Ik zou er veel leren.’ Zou, zou, want ze moest er eerst nog geraken en dat was niet half zo vanzelfsprekend als haar proffen zo graag in hun uitleg hadden aangenomen. ‘Iedereen gaat…’
  7. 29 juli 1838 Ate kende het aantal passen naar haar vaders vertrekken uit haar hoofd. Die van haarzelf waren betrekkelijk ver weg, al leken ze verder weg naarmate ze meer tegen zijn antwoorden op haar voorzichtige vragen opzag. Ze moest het vragen – zonder toestemming handelen was niet aan haar besteed; ze had nooit meegekregen dat dat een optie was, niet met een vader als de hare, maar ze zou zich er evenmin goed bij voelen, alsof een stap in de wereld enkel als vrijheid voelde als het een gesteunde keuze was geweest – ze moest het vragen en misschien, misschien zou ze ongelijk krijgen. Je weet maar nooit, bedacht ze zich, die woorden die ze verschillende keren op de campus gehoord had. Maar je wist wel altijd, wilde ze altijd terugzeggen. Je had altijd wel een idee, niet dan? Je kon het altijd wel een beetje inschatten, niet dan? In principe kon het dat je ongelijk had en dat alles anders liep, maar als je een vel wilde verkopen, was je erbij als je de beer schoot, niet dan? En je kon zelf je best doen om goed te richten, niet dan? Als je goed genoeg was, leefde je niet in zulke onzekerheid. ‘Vader?’ verzocht ze om aandacht, de toestemming om om meer toestemmingen te smeken, een pauze die ze spendeerde om de ruimte waar ze tegenwoordig minder kwam dan ze eens gedaan had in zich op te nemen, alsof er veel veranderd was, en uiteindelijk om te proberen in te schatten in hoeverre haar vader in een genereuze bui was. In zoverre hij in staat was om die te hebben. In zoverre Ate die echt zou kunnen herkennen – Ate zag haar eigen visie op de zaken en wat ze dacht te moeten doen en niet zoveel meer dan dat, een door zichzelf geobsedeerde wereld gevoed door andermans gepercipieerde verwachtingen. ‘Voor de opleiding zou ik een tijdje naar Italië moeten.’ Niet zo heel lang, echt niet, gewoon langer dan de paar uren die ze weg mocht gaan elke dag om haar lessen bij te wonen. ‘Het gaat om een stage daar.’ Dus belangrijk. En anders, anders… Niet gaan had niet als een optie geklonken tijdens de uitleg. ‘Als ik niet ga, buizen ze me.’ OOC: Privé met Lisa! <3
  8. ‘Het is maandag,’ antwoordde ze rustig, eerlijk, zoals ze eens in te eenvoudige verhaaltjes om goedgekeurd te worden door haar innerlijk rechtstelsel over wat kon en wat niet, wat correct was en wat niet, regenbogen van betekenisvolle kleuren en organisatorische mappen en halverwege de draad kwijt van wat ze nu eigenlijk doen moest. Maar nu nog niet. Nu kon ze het nog, nu kon ze zonder problemen antwoorden en doen alsof er niets raars aan de hand was, slechts licht verrast bij Paiges verbazing, en daar moest ze gebruik van maken. Hm. Dat klonk niet als een goed begin voor een eeuwigdurende vriendschap. Maar ze moest ergens mee beginnen. Ate had een heel plan opgesteld en ze was van plan om zich er stug aan te houden en tot nu toe volgde Paige het script, dus wat maakte het uit dat het een beetje verkeerd klonk? ‘Natuurlijk,’ zei ze, in een poging warm te klinken, vriendelijk, het type dat iedereen meteen zou vertrouwen, al was Ate nooit zo iemand geweest, altijd meer ergens in de schaduwen, het type waar mensen niet naar keken en het type dat dat ook niet per se erg vond. ‘Deze kant op.’ Met afgemeten passen leidde ze haar nieuwe vriendin de kelder uit. Die heus niet zo vuil was, heus niet zo verschrikkelijk, alleen maar een beetje stoffig. Maar hé, als haar vriendin er niet wilde zijn, dan was Ate lief genoeg om dat oké te vinden. Zelf was ze graag in de kelder – het was er rustig, kalm, stil, een plek waar alles volgens plan verliep. Na een glas water voor haar gesommeerd te hebben zette ze het in haar buurt aan de keukentafel. Was ze niet aardig? ‘Voel je je ziek of…?’ Of wat eigenlijk? Ze hield er niet van om haar zinnen zo op niets te laten eindigen. ‘Of heb je gewoon niet zo goed geslapen?’
  9. Ah, Ate had er ergens graag op gehoopt dat Paige Everett niet zo opmerkzaam zou zijn, maar… ach. Gingen studenten niet altijd tot laat uit en raakten ze dan niet soms verzeild in andermans huis? Zo gek was dit heus niet dat ze zich er niet uit zou kletsen. Ze moest zich gewoon aan haar netjes uitgeschreven verhaal houden (vier A4’tjes in haar priegelige handschrift, al had ze er op het einde wel een nutteloze zin aan toegevoegd omdat ze anders niet mooi aan precies vier volgeschreven vellen kwam) en dan kwam het vast goed. Voor zover Ate kon zien, twijfelde ze nu al. Twijfel was goed. Zolang ze haar aan het twijfelen kon brengen, zou ze niet denken dat Ate hierachter zat — dan was ze te druk bezig met te proberen uit te vogelen hoe het allemaal in elkaar stak. Schuin keek Ate haar ongetwijfeld nieuwe vriendin aan. ‘...Ja?’ antwoordde ze, vragend, precies zoals ingestudeerd in hypothese 2.c.iv. ‘Je bent gisterenavond toch met mij meegekomen?’ Eh, soort van. Niet per se meegekomen. Niet per se gisterenavond. Maar dat maakte niet uit. Ze hield van details, in alle eerlijkheid, maar wat haar eigen onwaarheden betrof, vond ze het niet zo erg om ze achterwege te laten. ‘Gaat alles wel goed met je?’
  10. Ate keek over het algemeen niet heel veel in de spiegel. Nu ja, in theorie elke ochtend om er zeker van te zijn dat ze presentabel was, een deugdelijke jongedame voor de hele wereld en een lief meisje voor haar familie, maar nooit lang. Ze kende haar gezicht onderhand al wel, en zo nee had ze Duessa nog altijd om haar gelaatstrekken in te zien, ze wist wat ze moest doen om eruit te zien als een lief kind dat goed voor zichzelf zorgde en dat was dan dat. Maar nu wel, nu wel. Deels was dat omdat wachten tot Paige Everett wakker werd saai was en ze iets moest doen, deels omdat ze wilde zien of ze er onschuldiger uitzag met grotere ogen of niet. Een vriendin van haar (of nu ja, een vriendin van Duessa die had gedacht dat ze Duessa was geweest) had even geleden haar iets gegeven dat ze optisch groter zou doen lijken, maar ze wist niet of dat zo was. Als ze het mat, was het niet zo, alleszins. Ze stond op toen ze Paiges stem hoorde en stapte in afgemeten passen de rommelige hal in die haar naar de kelder zou leiden. ‘Paige?’ zei ze, voorzichtig de steile, steile trap afgaand. ‘Ben je eindelijk wakker?’ Ze glimlachte, rustig, de vrouw toe. Ze kende haar wel, vagelijk, in theorie, niet per se in de praktijk, maar dat was met zoveel het geval in Ates wereldje. Even geleden had ze besloten dat het tijd was om het anders aan te pakken, om haar theorie om te zetten in de praktijk, en dit was de eerste stap. Ze wist niet of het de goede was, maar… Ach, mensen waren mensen, toch? Je kon vast wel iemand meenemen naar een gedeelde kelder en er vanuit gaan dat ze met je zouden willen, wel, brunchen onderhand. ‘Het is al bijna elf uur! Is het zo laat geworden gisteren?’
  11. Ate Damarcus

    Algemeen: Naam: Ate Vespera Damarcus Leeftijd en Verjaardag: 18, 20 mei 1820, een halfuurtje jonger dan haar zus Duessa. Politieke Voorkeur: Magisch Verbond Achtergrond: Familiesituatie & Geschiedenis in het kort: Vader: Saphir Damarcus Moeder: Pandora Damarcus Zus: Duessa Damarcus Nonkel: Seneca Damarcus Ate is de tweede dochter van het echtpaar Saphir en Pandora Damarcus. Hun opvoeding was naar Damarcusstandaarden normaal, naar de rest van de wereld toe, omringd met goedbedoelde adviezen en paternalistische pedagogieboeken, net ietsje minder. Hun vader was streng en luisterde zelden naar puberale powerpoints met allerlei redenen over waarom een uur om thuis te zijn voor sukkels is en oh, kijk, nu had ze huisarrest, dat is al helemaal voor sukkels, papa. Immer gericht op de logica van de wereld doorgronden had Ate haar opvoeding wellicht idealiter iets anders ingericht, maar dat soort dagdromen hoorde in haar ogen evenmin in de summa divisio waarnaar ze wat ze wel had meegekregen indeelde. Ate zou zichzelf niet per se close met haar ouders noemen, maar wel meer met haar tweelingzus Duessa. Hoe zou het ook anders kunnen? Ze volgde haar iets, iets oudere zus overal heen, liet zichzelf gemakkelijk uitdagen om alles uit te proberen waar ze in eerste instantie huiverig tegenover stond en deed alles om de tijd en aandacht van haar zus te verdienen. Als kind nam dat alle tijd in beslag, op Zweinstein werd het iets minder overheersend en nu, nu, net afgestudeerd van de groene afdeling van Zweinstein en vol goede moed om magisch wiskundige te worden kan ze zich niet voorstellen dat ze meer tijd kan vrijmaken voor hun onderlinge wedstrijdjes. Maar ze zou haar zus nooit helemaal vergeten. Dan zou Duessa vast teleurgesteld in haar zijn, en dat is het ergste wat Ate zich kan indenken. Burgerlijke staat: Alleenstaand Beroep: Student Magische Wiskunde Woonplaats: Blenheim Palace, te Woodstock Bloedlijn: Volbloed Rijkdom: Rijk Religie: Geen. Ze is niet gelovig opgevoed en als ze dat wel was geweest, was ze daar koppig toch van afgestapt. Publiekelijk gezicht: Uiterlijk: Ate is klein van stuk en een smal frame. Ze heeft donkerbruine haren en ogen — assorti, al helemaal naast haar identieke tweelingzus. Met een sterke voorkeur voor kledij in onopvallende kleuren en weinig franjes valt ze over het algemeen niet veel op. Toverstok: 27,63 cm, essenhout, kern van drakenbloed Huisdier: Geen. Karakterbeschrijving: Positieve eigenschappen: - Ambitieus - Analytisch - Competitief - Doelbewust - IJverig - Intelligent - Punctueel - Rationeel Negatieve eigenschappen: - Afhankelijk - Beïnvloedbaar - Hard - Kritisch - Meeloperig - Obsessief - Onopvallend - Trots
×