Jump to content

Seneca Damarcus

IC Schoolhoofd
  • Content count

    17
  • Joined

  • Last visited

  • Days Won

    3

Seneca Damarcus last won the day on October 19

Seneca Damarcus had the most liked content!

About Seneca Damarcus

OOC Profiel Informatie

  • Membergroups
    MV
  • Naam
    Lisa

Profile Fields

Recent Profile Visitors

71 profile views
  1. [1837/1838] A twilight walk

    18 Maart 1838 Het was één van zijn favoriete dingen als hij nuchter was en geen les gaf; een wandeling maken in het schemerlicht. Zijn hoofd leegmaken van al het achterlijke gespuis dat rondzwierf op Zweinstein, om maar niet te spreken van zijn hoogst irritante collega’s waarvan de helft klaarblijkelijk een kronkel in hun kop hadden. Dat hij nou de meest normale persoon was die daar rondliep kon hij zeker niet vaststellen. Maar er was eigenaardig, mysterieus en gedisciplineerd én er was knetter mesjokke. In ieder geval kon hij zichzelf alweer een schouderklopje geven dat hij de dag had overleefd, zonder een kind te martelen of zichzelf te verstoppen in zijn kantoor met een flacon van his finest scotch. Chapeau, Damarcus, chapeau! Hij kon in ieder geval even uitrazen tijdens een wandeling in het duistere bos, waar hij zich toch altijd het meest comfortabel voelde. De wezens die er rondliepen vond hij wat minder, aangezien hij nooit een fan geweest was van fabeldieren – maar de duisternis had zeker wel wat, al zei hij het zelf. Het paste bij zijn bittere en koude ziel, waar hij oh zo bekend om stond. Toen hij zijn gebruikelijke rondje liep leek hij in de verte een gedaante te zien. Het was niet één van de fabeldieren, waar hij met een grote bocht omheen zou lopen, maar een persoon, een meisje. Een klein gestalte met bruin golvend haar. Hij moest zijn ogen samenknijpen om het beter te zien, aangezien hij op zijn leeftijd niet meer hetzelfde zicht had als vroeger. Hij herkende haar van Zwadderich; de afdeling waar hij zelf als kind ook had gezeten. Het was niet onbekend dat hij een lichte voorkeur had voor leerlingen van Zwadderich en hij was meestal ook ‘vriendelijk’ tegen de leerlingen met enige potentie om het ver te schoppen in de tovenaarswereld. Dat idee had hij ook van haar; het meisje dat ongeveer twintig meter verder stond van hem met een pijl en boog in haar handen. Wat was haar naam ook alweer? Het was er één van de Haysward familie wist hij. Iets met een C? Als het goed was noemden vrienden haar Cassie, maar dat was natuurlijk niet een normale naam - niet van hoge stand in ieder geval, maar het zal vast wel iets anders zijn. De grote vraag was natuurlijk wat zij deed in het donkere bos in de schemer zonder enige begeleiding. Zoals hij de regels kende was het namelijk ten strengste verboden om als leerling het donkere bos in te sluipen en al helemaal niet om een hobby uit te oefenen als boogschutten. ‘Hello love, wat denkt u hier te doen als ik zo vrij mag zijn dat te vragen?’ Het waren lieflijke woorden, die niet vaak uit Seneca’s mond kwamen, maar streng klonken ze zeker. OOC: Met Irene <3
  2. OOC: Open 13 Maart 1838 Het waren zonnestralen die zijn schouders verwarmden. Van dat zonlicht dat aan het einde van de dag te zien was, waarbij de roze, paarse en oranje gloed al langzaam een warme deken vormde in de lucht. Het was stil, buiten het getjirp van kleine vogels uit de bossen en de wind dat zijn iets te lange donkerbruine lokken door de war bracht. Zijn zwart-omringde ogen waren gesloten, terwijl hij achterover en nonchalant in één van de uitkijktorens van het kasteel zat met een fles rode wijn naast hem. In zijn rechterhand, met wel 4 ringen om zijn vingers, hield hij een pijp vast waar hij zo nu en dan een goede hijs uitnam, om vervolgens kleine wolkjes uit te blazen richting de diepte van de afgrond. Het was vredig, onverstoord en in harmonie. Alles was op zijn plek. De halflege fles dat symbool stond voor de heer Damarcus en de prachtige lucht op een ietwat koude dag, met het geluid van moeder natuur. Het was de cirkel van het leven en alles was op de juiste plek. Zowel bij Seneca als bij zijn omgeving. Heerlijk, is het niet? Zijn ogen waren geopend, terwijl hij verlangend naar de afgrond onder hem keek. Hij had er wel eens aan gedacht, om te springen. Een hele tijd geleden toen hij net het ouderlijk huis uit gevlucht was. Hij was toch uitschot en niemand zou hem missen. Hij had geen familie, geen vrienden, geen liefde – hij was niemand. Hij had vaker op een rand zoals deze gezeten, met een fles wijn en zelfs nog wel meer kalmerende middelen. Denkend aan de verlossing die hij zou hebben als hij toch dat ene stapje zou nemen, zich een klein beetje zou afzetten. De val, de adrenaline, het zou als eindeloos aanvoelen, want daarna zou het zwart zijn - zou zijn lichaam verpletterd zijn, waarbij al zijn dure kledij doorweekt was van het adellijke bloed en zijn lichaam in een straal van dertig meter in kleine deeltjes te vinden zou zijn. Erachter komen wie het was zou een puzzel zijn geweest en dan zou hij de verloren zoon zijn, waarvan nooit iemand meer iets van gehoord. Dat zou toch een goede manier zijn om afscheid te nemen? Of misschien nog wel beter: om wraak te nemen? Meerdere malen had hij gezeten op een rand als deze, waarbij bijna de wolken in de diepte hingen als warme bedden die hem op zouden vangen – waarbij de schoonheid van de val eindeloos zou zijn. Meerdere malen heeft hij er over getwijfeld om toch dat stapje te nemen. Hij deed het alleen niet, hoewel de verleiding nog zo groot was. Hij was niemand. En dat was juist het probleem. Hij wilde niet, weigerde, om op zo’n manier aan zijn einde te komen. Hij wilde niet als de zoveelste nietsnut eindigen zonder enige betekenis gehad te hebben. Hij wilde niet wraak nemen als niemand het door zou hebben, niemand hem zou missen. Het zou de makkelijke uitweg geweest zijn en dat is niet wat hij voor zichzelf gewild had. Hij was Seneca Damarcus en dat moest bekend worden, berucht zijn. Hij moest en zou een machtig man worden die gevreesd werd door allen. Net zoals zijn vader. Zijn vader die hem op straat had gegooid omdat kleine Seneca zo’n nietsnut was geweest. Hij zou hem even laten zien wat voor heersende duistere tovenaar hij was – wat hij allemaal kon bereiken. Zijn vader zou bij hem in het niets vallen. En daarom sprong Seneca nooit.
  3. [1837/1838] Well, I'd love it if we made it

    God, wat was hij blij dat de les vol eerstejaars stuiterballen eindelijk voorbij was. Nog steeds wist hij niet waarom hij hier op school rondliep, zichzelf liet martelen door het adderengebroed dat om hem heen dansten als likkende vlammen. Ze brandden zijn motivatie beetje bij beetje weg, terwijl hij de hitte van het vuur om hem heen steeds verstikkender vond worden. Het scheelde dat hij schoolhoofd was, want de straffen die hij kon geven voor het verstikken van de hoofdmeester waren grandioos en pijnlijk. Heel soms, als de mogelijkheid er was, toverde hij het oude regelementen-boek tevoorschijn en haalde hij inspiratie uit de straffen die vroeger geboden werden voor onheilspellende praktijken. Het uitkafferen en uitlachen van een leraar was in deze tijd namelijk een normaal principe geworden en daar moest zeker wat aan gebeuren. Al was het alleen maar om de burn-out van het schoolhoofd Damarcus te onderdrukken. Met samengeknepen ogen en ferme passen beende hij zich door de gangen. Hij had haast. In de toren had een leerlinge zich vast gekregen tussen de spijlen van het raam, die eigenlijk meer als bescherming en veiligheid diende dan als apenkooi-rek. Achterlijke idioten waren het, dat ze op het idee kwamen om er tussendoor proberen te kruipen, zodat ze met hun bezem van een hoog gebouw af konden springen – want dat was ‘tof,’ ‘cool’ en ‘vet-leuk’ tegenwoordig. Én hij mocht dit nu gaan oplossen. Strafwerk zouden ze krijgen, een gesprek met het ouderlijk paar en een rooster om van te huilen – enkel en alleen maar omdat Seneca het halve gebouw moest doorkomen om van de grote hal naar de toren te komen, om vervolgens een paar botten te breken van een kind die hij hardhandig tussen de spijlen vandaan trekt. Hij was dus al niet in een beste bui, dus erg veel meer kon hij nu zeker niet op zijn bord hebben. Bijna had hij het trappenhuis gehaald om zich weer naar de volgende verdieping te benen, terwijl hij half-mompelend in zichzelf op zat te noemen wat hij de kinderen allemaal aan zou doen als hij aan zou komen bij het incident. De conclusie klonk dat het teveel was om op te noemen. Nog één bocht en dan kon hij de trappen op en zou hij er bijna zijn als hij niet opeens verstoord werd in zijn looplijn door een jongen in een vliegende rolstoel die blijkbaar zo erg afgeleid was dat hij met volle snelheid op hem afkwam. Het gebeurde in een luttele seconde, maar na een pijnlijke klap knalde de heer Damarcus op de grond en keek met wijd-opengesperde ogen naar de jongen die het had aangericht. Pas toen het besef kwam wat er eigenlijk was gebeurd, werd Seneca witheet. Beheerst stond hij op, waarna hij zijn driedelige pak en mantel afklopte om vervolgens even diep te zuchten. ‘ARE YOU OUT OF YOUR FUCKING MIND, YOU BLOODY PISS POOR-‘ De ‘FUCKING' werd in het gezicht van de jongen geblaft als een kwaadaardige wolf, en het enige wat er miste waren de vlijmscherpe tanden en de klodders slijm die hem om de oren vlogen. Zijn verwijde ogen fonkelden maniakaal, duidelijk buiten zijn zinnen. ‘ZIJN JULLIE DAN HELEMAAL GEK GEWORDEN?! DENKEN JULLIE ZWAKHOOFDIGE IMBECIELEN DAN DAT ELK DEEL VAN DEZE SCHOOL EEN APENKOOI-REK, RACEBAAN OF SPEELTUIN IS?’ Hij spuugde de woorden uit, terwijl zijn knokkels inmiddels wit waren gekleurd van de vuisten die hij had gemaakt. Hoe durfden ze?! Hoe konden ze het in hun zwakzinnige brein halen om als een blinde dwaas rond te rijden in die achterlijke dingen. Ze moeten ze laten kruipen, die mankepoten, want blijkbaar zijn ze te achterlijk om die rolstoelen normaal te besturen. Net als deze bruinharige clown voor hem, die duidelijk niet bekwaam was om met zijn beperking om te gaan. Misschien moest Seneca dat ding maar gewoon voor een paar dagen afpakken, dan kon hij even voelen hoe het was om te moeten kruipen. Wellicht zou hij er dan in het vervolg wat zuiniger mee omgaan – net zoals met zijn schoolhoofd. De randdebiel. ‘NOU?!’
  4. The night so black that the darkness hums

    Verwonderd was hij vooral door de kracht dat het meisje bezat. Hij was een lang gestalte, had oude zware botten en mager kon hij zichzelf ook niet meer noemen. Niet dat deze bewondering zijn prioriteit had, aangezien de doordringende pijn steeds heftiger leek te worden bij elke stap die ze verzette met hem in zijn armen. Seneca was een trots man, dus was het maar goed ook dat hij na tien meter wegviel uit de realiteit en teruggetrokken werd in zijn spookachtige en pijnlijke nachtmerries. Die waren inmiddels toch geen onbekend terrein meer en dan hoefde hij er niet bewust van te zijn dat hij door een jonge vrouw getild werd naar god-weet-niet-waar. ‘Nog even doorbijten’ had ze gezegd en dat advies had hij zeker opgevolgd, aangezien de binnenkant van zijn mond inmiddels een bloederige massa was geworden. Hij zou niet huilen, niet het uitschreeuwen of maar aan iemand laten zien dat zijn lichaam de pijn niet aan kon. Zijn ego was daar toch echt te groot voor. Toen hij zijn ogen weer opende lag hij in een bed en voelde hij hoe twee groene kijkers naar hem staarde. Niet naar hem, richting zijn ogen, maar ze bekeken zijn lichaam, zijn wonden. Hij zei niks, observeerde haar alleen maar en probeerde een beetje in de gaten te houden of ze hem niet zou vergiftigen. Waarom hij dat deed wist hij niet, want dood ging hij in deze staat toch wel. Het was zijn instinct, wellicht. Dit keer keek ze wel naar hem en ondersteunde zijn hoofd, terwijl ze wat in zijn mond druppelde. De pijn die ontstond zodra hij zijn mond weer sloot was afschuwelijk, niet te beschrijven. Zijn hele lichaam, van top tot teen leek in brand te staan, terwijl elke ader heel langzaam verschroeid leek te worden. ‘JE VERMOORD ME!’ schreeuwde hij uit met wijd opengesperde ogen. Hij greep naar haar arm, zette zijn botte nagels in haar vel, terwijl hij met de rest van zijn hand stevig kneep – zijn andere hand vastgeklemd in het beddengoed. Het was een wanhopige blik, een blik dat geen mens eerder had gezien bij Seneca. Het leek op angst. Nu moest hij sowieso van haar af.
  5. Cold and self-involved

    Leeg. Een grappig woord was het eigenlijk. Hij was niet leeg - hij was de eigenaar van genoeg botten, spieren, pezen, bloedvaten en andere gekkigheid binnen zijn verouderde huid. Toch voelde hij zich wel leeg, als een hol omhulsel met genoeg tierelantijn versierd, dat enige schijn bood voor het dorstige oog van de andere geesteloze mislukkelingen. Het zal waarschijnlijk wel aan de leeftijd liggen, want het onderdrukte gegiechel van de puber naast hem vertelde hem al dat er nog weinig diepgang in dat tere zieltje zat. Ze zwom aan de oppervlakte, met alleen oog op de helderblauwe, met zon belichte zee – niet-wetend dat er in de diepte onder haar genoeg watermonsters zich schuil hielden, wachtend op de duisternis van de nacht. Het arme kind. Eenzaamheid was een keus. Dat is wat hij vond in ieder geval. Hij koos ervoor om zijn leven te ontvluchten en dat was de beste keuze die hij ooit had kunnen maken. Hij hoorde niet thuis in een wereld met gemaakte lachjes, lieflijke praatjes en ‘warme’ knuffels. De idioterie. Als het erop aan zou komen dan zou iedereen elkaar bedriegen om zijn of haar eigen hachje te kunnen redden. Daarom was onafhankelijkheid niet een duivelse vloek, maar een godsgeschenk en een uiting van kracht. En krachtig was hij zeker. Dus de conclusie was eigenlijk dat hij graag eenzaam was. Behalve tijdens momenten als deze natuurlijk, dan kon hij wel genieten van de wereldvreemdheid van een jong meisje, die zich ‘verveelde,’ omdat ze te weinig prikkels om haar heen had. ‘Well, my sweet little cherry-blossom, aren’t we all empty souls?’ hij grinnikte zachtjes. Alsof zij zichzelf als leeg zou bestempelen. Het kind had meer emoties en gevoelens alleen al, dan iedereen in de kroeg samen. Maar hij zou er wel van kunnen profiteren. ‘I’ll tell you everything you want to know, if only you ask,’ het was even stil terwijl hij haar verlangend en doordringend aan keek. ‘Darling.’ Maakte hij zijn zin af, met het zachte gesis van een duistere slang. Een slang dat zich om haar heen zou verstrengelen en langzaam zou verstikken. Hij was weer in zijn element.
  6. De Meest Geweldige Wedstrijd op P&P - Editie 2018!

    Ik wil me graag opgeven (:
  7. The night so black that the darkness hums

    Niet doodgaan. Beelden van vroeger die als flitsen in zijn onderbewustzijn voorbij schoten - hersenspinsels met herinneringen van verdriet en eenzaamheid uit zijn jeugd en de intense pijn in zijn lichaam dat rilde van de verdorven kou, maar op bepaalde plekken nog een luttele schijn van warmte bevatte dankzij het bloed dat over zijn huid sijpelde; het leek erop alsof de edele heer Damarcus op sterven lag. Het was een vervelend aanzien, het langzaam wegkwijnende lichaam van een zwaar gehavende man dat onder het bloed zat. En zo voelde dat ook. Hij beleefde hoe zijn vader hem sloeg en martelde, voelde de haat jegens hem en hoewel hij het uit probeerde te schreeuwen, was er geen enkel geluid hoorbaar. Het was een illusie, een hallucinatie, een manier van zijn lichaam om de pijn te koppelen aan het onderbewustzijn. Het was afgrijselijk. Niet doodgaan. Het was een stem, zacht hoorbaar in de verte, die hem terug naar de realiteit haalde vanuit zijn macabere wanen. Hoe lang had hij er gelegen? Was het bloed al gestold? Kon hij zijn ogen openen? Ja, dat lukte. Het waren nog steeds zonnestralen die hij zag door de bomen en ze leken feller te zijn, dus heel lang had hij er niet gelegen. Een uur wellicht, misschien twee? Zou het 10 uur s ’ochtends ongeveer zijn? Hij wist het niet. Helder nadenken was op dit moment sowieso niet één van zijn beste kwaliteiten. Daarbij kwam ook nog eens het feit dat hij aan het hallucineren was, toch? Want hij kon zich toch niet bewegen, voelde zijn lichaam niet eens meer. Het was alsof iemand hem duwtjes gaf, hem half draaide en aan zijn kleding trok, of wat er nog van over was. Er was iemand bij hem, iemand die hem dingen riep. Onsamenhangende woorden die samen een zin moesten vormen, alleen die gevormde zin kwam niet helemaal binnen. Het was een vrouw, dat kon hij horen, maar wat ze van hem wilde begreep hij niet. Ze klonk boos, alsof ze hem nog wel even wilde helpen naar zijn graf, alsof ze wel even het gat voor hem zou graven. Wel naast hem, want anders moest ze hem zo ver rollen. En dan, na een paar uur zouden de beestjes aan hem beginnen te knagen. Of had hij zich vergist, wilde ze hem toch helpen? Waarom klonk ze dan zo ontzettend boos? Niet doodgaan. Hij begreep het wel, als hij niet geholpen zou worden. Hij bevond zich aan de rand van Knoydart, op een plek waar niet echt edele mensen leefden, waar rijkdom een mythe was en de meeste mensen hem nog een trap na zouden geven als ze hem hadden ontdaan van zijn galjoenen en gouden items. Gewoon nog even een trap zodat ze zeker wisten dat hij dood zou zijn en hen niet meer op zou zoeken. En waarschijnlijk was deze vrouw dat ook aan het doen en hoefde hij alleen nog maar te wachten op die ene trap, die maar langer en langer uitbleef. De woorden die ze had gevormd bleven maar in zijn hoofd spinnen en na enkele seconden, wellicht wel minuten, drong tot hem door wat ze zei. Slimme meid, zo zou hij het ook hebben aangepakt. Nu moest hij alleen nog maar duidelijk maken dat hij de deal accepteerde. Het was een kreun dat klonk, en ergens in die kreun lag een vraag om hulp verborgen. Hij zou haar echt wel belonen, zou zelfs zijn villa voor zijn leven weg willen geven. Hij had immers toch genoeg galjoenen. En als ze echt teveel eiste, kon hij het haar altijd nog weigeren en haar beheksen met één of andere duistere vloek. Misschien moest hij dat sowieso maar doen. Uitstekend plan Damarcus. Chapeau!
  8. OOC: OPEN voor ieder. Wie hem vindt mag hem houden. Wel graag verzorgen door een vrouwelijke persoon, zodat hij met een glimlach wakker kan worden. Iemand met wat weerstand zal misschien wel goed voor hem zijn. Het was een grote fout geweest, een hinderlaag, een vernedering om proberen het medaillon te stelen. Ze hadden alles tot in het detail doorgedacht, de spreuken doorgenomen en mensen misleid om de overval op de meest bewaakte kluis in goudgrijp te laten slagen. Hij had daar gestaan voor de kluis, nadat hij samen met een compagnon een geavanceerde slaapspreuk had gebruikt om de Kobalds in slaap te brengen. Ze hadden de slapende Kobald met de naam Muntstuk meegesleurd en de deur kunnen openen, maar hadden geen idee van wat er binnen de kluis zich schuilhield. Het was een ruimte die hij zeker niet had verwacht achter de massieve gouden deuren. Het leek groter dan de grote zaal van Zweinstein en bijna alle gevels en materialen waren van goud, behalve de gitzwarte muren waarbij het leek alsof er schreeuwende lijken in vast zaten. Slachtoffers van duistere magie, die versteend in de muur zaten. Het was een angstaanjagend aanzien, iets wat bij Seneca in het juiste straatje viel. Het zorgde ervoor dat hij nog meer verlangde naar de schat die hij zo graag wilde. In die schat, het medaillon van Zalazar Zwadderich, zat de helft van een grootse vloek waarmee hij in een straal van een kilometer elke modderbloed kon uitschakelen. God, wat zou hij wat meer rust krijgen op die akelige school. Hoe hij het zou verantwoorden aan de ouders was dan wel weer zorg voor later. Hij was toch vermomd, droeg een grote zwarte mantel en een gitzwart masker. De outfit van een Nigh†, zodat niemand hem zou herkennen. Niemand behalve zijn compagnons wisten dat hij een lid was van The Order Of The Night, dus als hij de complete vloek in handen zou krijgen, zou geen enkele ouder, tovenaar of ander gedrocht van Zweinstein en omstreken ook maar een idee hebben over wie hem zou hebben uitgesproken. Zodra Seneca en zijn compagnon naar het medaillon liepen begon de sfeer steeds anders te voelen. De lucht werd koeler en droger en de kaarsen in de kamer begonnen steeds meer te dimmen, waardoor er een akelige stemming was ontstaan. Het leek wel een doolhof van waardevolle pronkstukken die ze moesten ontwijken, hoewel elke gouden schat steeds minder zichtbaar begon te worden door een plotseling ontstaande mist. ‘Lumos.’ Zo konden ze tenminste zien waar ze liepen. Eenmaal aangekomen bij het medaillon dat op een gigantische gouden sokkel met aansluitende trap lag leek de mist steeds dikker te worden. De compagnon, stapte naar het medaillon om het te pakken en Seneca kon alleen maar met een valse grijns van oor tot oor kijken hoe hij zijn missie had volbracht. ‘Well, it wasn’t that hard. Even my first-year students could do this.’ Hij had zich omgedraaid om weer terug te lopen, maar werd al snel onderbroken door het geluid van krakende botten en zachte krijsende tonen. De lijken op de muren begonnen te leven en stapten op hem en zijn compagnon af om ze te grijpen. Het waren Necroten, een soort duistere magie waar Seneca genoeg over had gelezen, maar nooit in het echt heeft kunnen meemaken. Hij begon te glunderen, maar wist dat er nog maar weinig tijd over was. ‘Kom!’ schreeuwde hij, terwijl hij terug het doolhof van schatten in ging door de dikke mist om naar de uitgang terug te keren. Af en toe keek hij om, of zijn compagnon nog in de buurt was en heftig schreeuwde hij spreuken uit om de Necroten – die inmiddels wat meer snelheid hadden gekregen – van hem af te slaan. Toen hij bijna bij de uitgang was voelde Seneca hoe zijn kleding aan gort werd gescheurd door de Necroten en hoe hun klauwen zich in zijn huid grepen en diepe sneeën achter lieten. Hij schreeuwde het uit en hoe harder hij probeerde naar zijn toverstok te grijpen, hoe meer klauwen zich vastklemden in zijn huid. Het was akelig, pijnlijk en weerzinwekkend om aan te zien. Eenmaal toen hij zijn stok in zijn handen had voelde hij de tanden van een Necroot in zijn nek en hoe zijn huid en pezen aan gort werd gebeten. Hij schreeuwde het uit en hief zijn stok in de lucht, waardoor elke Necroot om hem heen brandde door een golf van vuur. Hij had net genoeg tijd om naar de uitgang te kruipen, maar toen hij even achterom keek, wist hij na een harde kreet van zijn compagnon dat het voor hem te laat was. Hij en het medaillon bleven achter. Het enige wat hij kon voelen was de akelige pijn en de vochtigheid van het bloed op zijn huid, dat vooral een brandend en warm gevoel gaf. Hij kon zijn vingers wel bewegen, maar verder lag zijn lichaam er doods bij. Hij voelde dat hij veilig was van de Necroten, dat hij met zijn laatste kracht zich nog wel kon verschijnselen naar een andere plek. Welke plek dit was geworden wist hij alleen niet. Hij voelde gras, of iets wat erg op gras leek en als hij zijn ogen voorzichtig probeerde te openen, leek hij iets van zonnestralen te zien die zich door uitgedroogde takken van bomen zich een weg baanden. Hij was buiten en het was verrot koud. Niet dat hij het heel erg kon voelen, maar hij wist dat als hij hier nog meer uren zou liggen hij het niet lang zou overleven. Niet alleen zou hij dan wel eerder kunnen overlijden aan zijn verwondingen, ook is de kans groot dat de kou op den duur zijn tol gaat eisen. Zijn compagnon was opgevreten, hij lag voor dood ergens buiten en het medaillon heeft hij nooit in handen kunnen hebben. Wat een diep trieste manier op te sterven.
  9. The Order Of The Nights †

    The Order of the Nights † The Order of the Nights is een verbond opgericht door Seneca Damarcus voor alle tovenaars van puur bloed die geïnteresseerd zijn in duistere magie. Na jaren reizen en het ontmoeten van duistere tovenaars in verschillende landen, heeft hij besloten om hier zijn kennis te delen en een verbond op te richten tussen alle duistere tovenaars die dezelfde passie delen. Niet alleen beheersen zij enkele duistere spreuken, ook zullen zij verantwoordelijk zijn voor het verlossen van Engeland van modderbloedjes, halfbloedjes en andere gedrochten die niet capabel zijn om een echte tovenaar van hoge stand te worden. Als een Nigh† zijn er wel regels en verplichtingen waaraan voldaan moeten worden, daarentegen zijn er een hoop positieve elementen die ieder ervoor terug krijgt, zoals rijkdom en macht. Verwachtingen (deze zullen nog aangevuld worden): - Een wekelijkse ontmoeting met daarbij vergaderpunten in de oude vrijstaande villa van de heer Damarcus. - Een verbond, waarmee ieder verplicht is elkaar te beschermen tegen modderbloed, halfbloed en andere gedrochten. - Samen in diverse missies en georganiseerde plannen modderbloed, halfbloed en andere gedrochten tegengaan. - Gezamenlijk heilige stukken en waardevolle items stelen of vinden. - Het is een GEHEIM verbond. Er bestaan mythes en geruchten over, maar niemand staat bekend als een Nigh†, behalve binnen de orde zelf. (De meesten leven namelijk ook een rustig en stabiel leven naast het verbond, zodat anderen geen vermoedens kweken.) De winst en rijkdom wordt onderling verdeeld. Indien sommige mensen zeer succesvol zijn in het volbrengen van hun taken, dan worden deze gepromoveerd en zeer gewaardeerd. Voor verraders of samenzweerders met tovenaars die niet van puur bloed zijn, zal de dood volgen. Hieronder is inschrijving mogelijk. Nigh†s: - @Seneca Damarcus - @Daniel Bennett - @Bobbie Azarola
  10. Cold and self-involved

    Het was eigenlijk iets om voor te schamen, dat hij zo dronken was in het openbaar, terwijl hij bekend stond als een machtig tovenaar. Hij zag er uit als een man waar menig mens grapjes om maakt. Een man dat stilletjes zijn verdriet weg dronk van zijn bittere bestaan. En het ergste was nog dat niets daarvan was gelogen, want ook hij was die man van de grapjes. Alleen was hij een man met macht, dure kledij, een bekende naam en een ‘goed’ betaalde baan. Dat maakte het hele tafereel alleen nog maar treuriger. En wat voor verdriet had hij nou eigenlijk? Een vervelende jeugd, niet veel liefde gekend? Hij moest zich er niet zo ellendig om voelen, want eigenlijk is hij alleen maar in het voordeel geweest zijn gehele leven. Hij had niets om kwijt te raken, geen gevoelens die gekwetst konden worden en geen emoties die hij hoefde te tonen. Hij was rijk, had macht en er waren genoeg mensen die hem vreesden. Meer had hij niet nodig. Een kleine grinnik ontstond bij de hersenspinsels die door zijn hoofd tolden. Hij dronk juist om dit soort gedachten uit de weg te gaan, maar telkens kwamen ze steeds meer onrealistisch terug. En als hij niet in gedachten verzonken was en genoot van zijn eigen miserabele zelf, dan stond er wel weer iemand naast hem om hem te storen. Kleine onschuldige meisjes die naar hem hapten alsof ze hem allemaal een enkeltje naar Azkaban wilde bieden. Alsof ze hem wilde lokken in hun kleine meedogenloze klauwen om zijn wil naar jonge meiden te triggeren. Gek genoeg was het ook altijd rond een tijdstip en op een plek waar deze jonge meiden niet hoorden te zijn. Het meisje naast hem bijvoorbeeld, oogde niet ouder, maar jonger dan achttien. En ook zij had blijkbaar de enorme behoefte om hem te storen. Na haar woorden kon hij alleen maar achteloos omhoog kijken om te zien wat voor persoon er achter de ietwat geforceerde zwoele stem zat. Zelfs de vraag die volgde hoorde hij steeds vaker en vaker. Zijn eenzaamheid is wat hun lokt, wat ervoor zorgt dat ze bij hem blijven en hun petieterige nageltjes in hem vast klauwen. Ze houden zich stevig vast terwijl hij zijn honger probeert te onderdrukken – maar hij is te zwak. Met wazige ogen bekeek hij haar van top tot teen en wist al meteen dat hij vast zat in haar web van schoonheid en maagdelijke jeugd. ‘Hello, love.’ Siste hij zachtjes, terwijl hij weer naar zijn halfvolle drankje keek voor hem en in een grote teug achterover gooide. ‘Altijd lieverd.’ Zijn gebruikelijke antwoord, want daar vielen ze voor. ‘En wat doe jij op deze sublieme, maar ietwat melancholieke avond?’
  11. Here's to you, you old wreck.

    Het mooie kind met de gezoete glimlach. Hij was er niet zeker van of dat lieflijke lachje geforceerd was, omdat ze weldegelijk wist wat ze met hem deed, of dat het echt haar kinderlijke onschuld was. De wil van een naïeve puber dat zich moest bewijzen voor haar omgeving. Laten zien dat ze de beste was, omdat ze anders helemaal niet gezien werd. Het was lang geleden dat hij last had van het puberale gedrag, hoewel hij toentertijd juist gehaat wilde worden door iedereen. Negatieve aandacht was namelijk ook aandacht en dat was het enige wat hij had gekend. Het meisje voor hem had het daarentegen helemaal naar haar zin, terwijl ze met rebelse twinkeloogjes het glas wijn met haar hand had omklemd. Haar gebazel over niet ignorant zijn en haar wil om het in de toekomst beter te doen wuifde hij letterlijk weg, terwijl er een kleine grinnik klonk. ‘Yeah, sure.’ siste hij fluisterend, onwetend of het hoorbaar was of niet. Hij draaide zich om, liep naar het fauteuil dat een stukje verder naast haar stond en schoof het naar haar toe, waarna hij plaats nam. Ongemerkt kwam zijn knie tegen de hare en als een vaag dronken excuus gleed hij met zijn hand over de plek waar hij haar raakte. De vraag of hij eenzaam was hamerde er diep in. Natuurlijk was hij eenzaam, spendeerde hij dagen en nachten alleen en werd hij geïrriteerd en ietwat nerveus als mensen bij hem in de buurt waren. Hij vertrouwde ze niet, vertrouwde niemand. De alcohol en onschuld van het kind naast hem zorgde er enkel en alleen voor dat hij iemand om zich heen kon verdragen. Hij had ook behoeften, uh.. gevoelens. Niet dat hij erover zou praten, maar hij zou ze zeker wel gebruiken om te krijgen wat hij wilde. Hij kon niet anders, was zich er niet bewust van dat ooit iets oprecht kon zijn – dus deed hij het op de enige manier die hij kende. ‘Always, my dear. Always.’ Hij had inmiddels zijn hand weer van haar knie afgehaald en trok voor de zoveelste keer de kurk van de fles rood voor hem, waarna hij zijn glas weer volschonk. ‘Do you wish for a refill, perhaps?’ hij negeerde haar aanbod compleet, toen ze hem vroeg of hij nog iets wilde weten van Zweinstein. Wat viel er te weten? Hij had hier een verschrikkelijke schooltijd en nu was dat niet veel beter, ondanks dat hij inmiddels wat leiderschap had. Ga toch weg, hij was met hele andere dingen bezig. ‘Nee, ik wil graag wat meer over jou weten.’
  12. Cause it's just the bones you're made of.

    Voordat Seneca überhaupt een kans had om zich om te draaien en de kamer uit te benen, bevond er al een obstructie op zijn weg. En wát voor één. Een vrouwelijk gedaante die hij in de eerste instantie een lust voor het oog kon noemen, maar na het spreken van enkele woorden eerder iets weg had van een pedante feeks. Het was een welkomstcomité waar hij nog dagen koppijn van zou hebben en zijn ogen knepen zich samen tot spleetjes, terwijl hij met een ik-kan-je-kop-er-wel-afslaan-blik naar Thomasin keek. Had ze wel eens het gedrag van die heidens onvoorspelbare ratten geobserveerd? En met ratten bedoelde hij absoluut niet de toegestane huisdieren mee. Zijn bejegeningen tegenover leerlingen waren té agressief? Hoe durfde ze. Is er dan helemaal niets meer over gebleven van de oude stempel, de lijfstraffen en het mentaal pijnigen van die tere zieltjes, wánt daar werden ze zo krachtig van? Stelletje dwazen. En oh, wat wilde hij het haar duidelijk maken dat ze niet ‘one of a kind’ was en ze de wereld echt niet zou veranderen. Oh, wat wilde hij vertellen dat ze later een zeurende helleveeg zou worden en dat als ze zou sterven, nooit iemand meer een herinnering zou hebben van de strikte mevrouw Hastings die binnen de lijntjes liep als een paraderend kreng - maar hij deed het niet. In plaats daarvan toverde hij een zelfvoldane grijns op zijn gezicht en sprak zoetig met een licht sarcastisch toontje: “Wat een aangename ontmoeting mevrouw Hastings. Is dat uw meisjesnaam?” Een klein knipoogje verscheen en terwijl hij voorzichtig voor haar boog, pakte hij haar hand en drukte er met zijn lippen een kleine kus op. “Oh, is het heus, verbale agressie?” Ga toch weg, heks. De ‘aangename’ ontmoeting werd al snel onderbroken door een reeks gebeurtenissen, waar bijna zijn mond van open viel. Hij had veel meegemaakt in zijn jaren, maar het stelletje ongeregeld dat zich professoren mochten noemen op deze school sloegen echt alles. Fronsend keek hij naar het tafereel voor hem, maar kon de stille jubel niet ontkennen, want hij was allang blij dat hij niet meer met die zelfingenomen tang hoefde te praten. Thank god. Na alle woorden van allemaal verschillende mensen, was het enige wat hem echt heel erg bij bleef: ‘Ik kan wel een borrel gebruiken nu.’ Daar was hij het zeker wel mee eens. Vooral na een explosie, verschillende mensen die luid binnen stormden en als klap op de vuurpijl: een rolstoel met daarin het schoolhoofd die hem aan had genomen. Nobele man, als hij de verhalen kon vertrouwen. De woorden, daarentegen, die uit hem kwamen waren nog nobeler, konden zelfs benoemd worden als muziek in Seneca’s oren. Met een felle beweging keek hij weer naar Thomasin. “Kijk, dat is pas een warm welkom.” Hij greep zijn staf en draaide er soepel mee, waardoor er een kladblokje en een pen voor het vervelende wicht begonnen te zweven. “U kunt er een voorbeeld aan nemen en misschien kunt u zelfs wat aantekeningen maken om een volgende collega wat beter te ontvangen. Als het niet een grote moeite is, natuurlijk.” Nadat hij toch nog iets kwijt kon over zijn gevoelens tegenover het strikte madammetje, wendde hij zich weer tot Sergei. “Ach, dank u zeer. Ik hoop op een zeer gemoedelijke samenwerking met jullie, zodat we de leerlingen genoeg kennis en discipline kunnen bijbrengen voor in hun toekomstige jaren. De rest laten we over aan de Russen.” Hij pakte een glas met wodka en hief hem in de lucht. “Ypa!” Misschien was zijn humeur toch wel aanzienlijk verbeterd na het zien van de drank.
  13. IC Zweinstein Mededelingen

    Vanaf heden kunnen jullie afgrijselijke monsters mij schoolhoofd noemen. Dit is niet een aanmoediging om mij meer te storen, enkel en alleen een teken dat ik, Seneca Damarcus, meer macht bezit om op jullie uit te oefenen. Ik hoop dat dit duidelijk is.
  14. Cold and self-involved

    De enige reden dat hij door deze weerzinwekkende kou aan het strompelen was, kwam omdat zijn gerenommeerde wijn voorraad inmiddels een niet-bestaande was geworden. Na het opdrinken van de laatste fles, waarbij hij alweer om tien uur s ’avonds de bodem al kon zien, was zijn dorst nog niet gelest. Nu liep hij hier, omhuld in zijn gebruikelijke driedelige pak en een met bond gevoerde mantel waar een klein geheim achter zat. Niet alleen was de mantel een steenduur stuk uit zijn collectie, ook - en dit had hij nooit iemand verteld – was het bond gemaakt van de vacht van kleine wit gekleurde puppy’s. Niet dat hij ze zelf vermoordde, aangezien hij het zich niet kon permitteren om zijn handen vuil te maken aan bloederige hondjes, maar achteraf waren genoeg tovenaars in zijn duistere kringen die wel voor een paar galjoenen wat hondjes wilden doden. Hij had al zoveel gebruikelijke stoffen en materialen in alle vormen en maten, dat hij eens in de zoveel tijd wat aparts nodig had. You can’t blame him right? Seneca was enkel en alleen een diepe schaduw in de slecht verlichte straat en onder zijn kap was alleen de kleine twinkeling van weerkaatsing te zien in zijn diepbruine ogen. De oranjekleurige gloed die door de geruite ramen op de kozijnen viel, de rookpluimen die uit de ouderwetse schoorsteen omhoog rezen en in de donkere lucht deden vervagen, het toosten met het getik van glas tegen glas en het aangename bulderende gelach van gasten die zich er al vermaakten; De Koperen Ketel was een ietwat minder aangename plek om zijn alcoholinname te vergroten, maar wellicht was er nog een kans op menig gezelschap voor de nacht. Wat interesseerde het hem ook, hij had zoveel op dat er meer bittere substantie in zijn bloedbaan zat dan de lichaamseigen stof zelf. Het was uiteindelijk een zachte plof dat klonk toen hij neerkwam op de barkruk en na een kleine wuif met zijn hand stond er binnen no-time een jenever voor zijn neus. Genoeg wijn, het was tijd voor het zwaardere geschut. @Tabitha Fox
  15. Here's to you, you old wreck.

    Hij was er zeker van dat het niet zomaar toeval was dat de ontmoeting met het ‘kleine vrouwtje’ plaatsvond. Het gebruik van benamingen, wat eigenlijk een zekere ontkenning was van het feit dat het petieterige dametje voor hem eigenlijk nog een kind was – dat er blijkbaar overduidelijk van uit ging dat de bloeddorstige slang voor zich, haar niet in het geheel op zou eten. Ach, wat had ze het mis, het naïeve en kwetsbare ding. Het was zeldzaam in zijn geval, dat de aanwezigheid van het meisje hem zo deed opleven. Hij was – wellicht met een kleine bijdrage van alcohol - vrolijk, opgewekt en had een toegenegen glimlach om zijn lippen gekruld. Een soort bevredigend gevoel dat je eigenlijk alleen maar in de armen kon sluiten als je geen leven had gekend vol eenzaamheid en bittere afkeuring. Zijn dagen die hij besteedde aan simpele zielen die hem ongeïnteresseerd aanstaarden of, wanneer Seneca in een hele slechte bui was, meerdere kleuren neerkwakten in hun pantalons. Om maar niet te spreken van de dagen gevuld met lege flessen rode wijn, de groeiende rimpels en steeds donker kleurende wallen. Erg veel verder kwam hij niet in zijn deerniswekkende leven. En dan, omdat alles nog niet catastrofaal genoeg is, had hij ook nog eens die inhumane dorst naar jong vlees. Dat soort met het onzekere zelfbeeld, de wereldvreemdheid, de lichte angst in hun ogen - wat erin resulteerde dat zijn dominante positie royaler werd. Compensatiegedrag voor de kleurloze jeugd die hij had gekend, wellicht. Gevaarlijk was de opmerkingen die ze maakte: de onschuldige toon waarmee ze vertelde tot alles bereid te zijn om haar cijfer maar omhoog te krijgen. En hoewel hij wist dat zijn hersenen niet meer goed functioneerde door de anderhalve fles wijn die hij op had, kon hij maar een beperkte hoeveelheid aan mogelijkheden bedenken om haar wens in vervullen te laten gaan. Hij bekeek haar van top tot teen, had gezien hoe ze onbezorgd een pluk haar achter haar oor verstopte en hoe haar wangen rood kleurden bij het horen van zijn opmerking. Zeventien, was het niet? Met zeventien mocht ze drinken, zat ze al dichtbij de bitterheid van volwassen worden. Toegestaan was het niet, maar te jong kon Seneca het zeker niet noemen. Hij had het glas opgepakt en naar haar toe gereikt. ‘You don’t think I can drink from two glasses at the same time, do you?’ Zo dom kon ze toch niet zijn? Tóch? Hij schraapte zijn keel, keek haar nog eens met samengeknepen ogen aan en besloot om erachter te komen wat hij in zijn kamer had gehaald op dit uur van de nacht. Hij was namelijk niet van plan om iedereen zijn fijnste wijn aan te bieden én nog een gunst te verlenen zonder dat hij er iets voor terug kreeg. Zo’n genadige sterveling was Seneca ook weer niet. ‘Ik ben zoals u al eerder noemde een drukbezet man. Dus, mevrouw Saint, vertel mij eens waarom ik mijn kostbare tijd zou moeten besteden in een ignorante jongedame die op dit tijdstip aan komt kloppen.’ Een lieve glimlach verscheen om zijn lippen na de botte opmerking. Hij moest het niet doen, mocht het niet doen. Als hij zou doen wat hij wilde doen dan zou hij zijn baan kwijtraken, zijn machtspositie in de samenleving en de krantenkoppen zouden vol staan met zijn bewegende foto waarop hij een enkeltje naar Azkaban ontvangt. Jammer was het alleen, dat in deze staat, na deze hoeveelheid wijn, hij het als iets onbenullig kleins zag. Daarom kon hij niets anders dan zijn hand naar haar kin brengen om vervolgens met zijn duim en wijsvinger haar kaak te ondersteunen. ‘Ik ben niet geheel kwaadwillig, lieverd.’ Zijn stem was zacht, als een luttele fluistering. ‘Als je mijn gezelschap wilt zijn deze nacht, onder het genot van nog een paar glazen rood, zal ik morgen uw cijfer verhogen.’ Zijn ogen stonden zielig en langzaam vormden zijn lippen een klein pruilmondje. ‘Let me get to know you a little, please.’ Wat een façade.
×