Jump to content

Boreas Peregrine

Griffoendor Derdejaars
  • Content count

    26
  • Joined

  • Last visited

  1. [1838/1839] Little lions

    Stonden de groene strepen íémand goed? Ja, ja, groen was maar een kleur, hij kon Efstathios’ stem nog in zijn hoofd horen weergalmen over kleurenpaletten, de precieze vestimentaire nuances binnenin de mode waar Boreas zelf zo weinig over wist, ja, ja, genoeg mensen wier kleur toch echt groen was – maar die genen waren niet aan hem doorgegeven, net alsof zijn broer ze allemaal had opgezogen en niets meer had overgelaten voor iedereen die er na hem kwam. Voor Boreas was groen slechts een kleur, een waarvan hij allang vergeten was of hij die nu wel of niet mocht dragen met zijn felrode haren, en in Zweinsteincontext was het een kleur die hij liever niet zag. Sorry, hoor. De nuances zouden later misschien komen (misschien, misschien, misschien, uitersten vormden zijn bloed), maar voor nu, voor nu was het niet het geval. Op dertien jaar bestond je leven in je team vinden (Griffoendor) en daarvoor spelen in de competitie van de puberteit en zelfs petieterige zwadderaars moesten daaraan maar geloven. ’t Was niet alsof er een zwadderaar bestond die het niet terug zou doen. Fatsoen was niet aan hen besteed. En aan hem… tja, ten eerste was hij opgegroeid op een circus, dus, eh, en ten tweede vond hij dit slechts reageren. Maar dan op voorhand. Dat hield steek. ‘Iedereen heeft het koud in januari,’ antwoordde hij laconiek, redelijk onsubtiel zijn toverstok wegstekend (maar dat had ze vast niet door, nee, toch, zou het). Kom op, ze ging echt niet doodvriezen – zo ver weg was het kasteel nu ook weer niet. Pfft. Dramatische groentjes, hoor. ‘Als je echt denkt dat je doodvriest, kan je gewoon naar binnen. Of is dat te veel denkwerk?’
  2. [1838/1839] Little lions

    12 januari 1839 Boreas vond zichzelf een aardige kerel. Hij was behulpzaam en altijd wel in voor het volgende avontuur, hij had ooit ergens gelezen dat griffoendors ridderlijk waren en dus was hij dat ook (hij wist niet precies wat ridderlijk zijn zou moeten omvatten, maar hij was het vast, anders had de immer wijze en onfeilbare sorteerhoed hem niet in Griffoendor gezet), hij was een inherent optimistisch persoon, maar al die positieve eigenschappen werden niet gebruikt voor… hm, onwaardige mensen. Daar was hij rechtlijnig in, misschien iets te. Hij wilde met alle liefde zijn uiterste best doen voor iemand met normen en waarden waar hij achter kon staan, maar iemand die zo egoïstisch als de pest was? Nah. Hij had betere dingen te doen dan zich zodanig te schikken naar iemand die zo intrinsiek niets om anderen gaf en, oh, je weet wel, plannen zou kunnen hebben om de hele wereld te gaan veroveren. Nu zag Boreas zichzelf dat ook nog wel doen, maar hij was geen slecht mens en dus mocht hij dat wel. Duh. Zo klaar als een klontje. Gelukkig maakte Zweinstein het hem ook gemakkelijk: alle nare leerlingen die (jammer genoeg) Zweinstein betraden, werden in Zwadderich geplaatst. Zo nu en dan glipte er weleens een geval door de mazen van het net, maar over het algemeen gesproken, nee, alle slechteriken, al die stereotypes uit allerlei volksverhalen die hem verteld waren, waren in die afdeling te lokaliseren. En nee, dat was geen stom stereotype. Pfft. Het was zíjn schuld niet dat de wereld zo werkte en daarom was het volledig gerechtvaardigd dat hij met een haast nonchalant te noemen zwaai van zijn toverstok een of andere groene eerstejaars natspetterde in de kille januarilucht deze ochtend. Toen ze opkeek, deed hij een mislukte poging om een grijns te onderdrukken. OOC: Met Alyssia! <3
  3. Oud maar vertrouwd

    In de wereld bestonden er twee types van mensen. Type A kwam tot rust door te lezen (zie: Logan Christopher, de meeste mensen die op deze site tijd komen verdrijven wellicht); type B vond lezen saai, ondraaglijk traag, en werd er alleen maar rusteloos van (zie: Boreas Peregrine). De bibliotheek was zo ongeveer Boreas’ minst favoriete plek, op de leerlingenkamer van Zwadderich natuurlijk na. Nee, dol op die groene flaters van mensen was hij niet, zou hij ook nooit zijn, een arbitraire hekel aan een vierde van zijn jaar (die stuk voor stuk hun uiterste best deden om die hekel ook persoonlijk te maken, werkelijk waar, het was indrukwekkend), maar nú was niet veel beter. Ze schenen allemaal in de bibliotheek te zitten namelijk. En goed, goed, in een bibliotheek zitten studeren was écht zijn ding niet, hij vond het verschrikkelijk, maar konden die zwadderaars nog op zijn minst wegblijven? Hoe moest hij zich nú concentreren! Gelukkig waren er nog zwadderaars die hun naam eer aan deden, Boreas ook maar een vervelende kerel vonden en bijgevolg een propje papier tegen hem aan gooiden. Aan de ene kant was dit vriendelijk (nu had hij een degelijk excuus om zich nooit nog van zijn leven te concentreren op… wat was het zelfs, toverdranken? Hij wierp een snelle blik op zijn studieboek. Nee, transfiguratie, oeps), maar aan de andere kant natuurlijk een misdaad die hij als ware vigilante moest oplossen. Al had hij voor geen meter gezien wie het naar hem had gegooid (dat het een zwadderaar was, stond vast, gebaseerd op… Boreas’ hekel aan dat volk, oké, dit was waterdicht) en toen hij onsubtiel achter zich keek, op zoek naar de dader, kon hij ook niet onmiddellijk iemand aanwijzen. Daarom sprak hij de jongen tegenover hem aan, Logan Christopher. Ja, ja, de goede jongen was aan het lezen, maar wat moest hij anders! ‘Pst,’ vroeg hij om aandacht van zijn afdelingsgenoot, ‘pst, Logan.’ Hij toonde hem het propje papier dat hem geraakt had. ‘Heb jij toevallig gezien wie dit heeft gegooid?’
  4. [1837/1838] Write another story, we're fine

    Ja, Zwadderich moest echt vreselijk zijn om in te leven. Stel je voor dat je daarin gesorteerd werd zonder dat je daar werkelijk hoorde (en dus zonder dat je een vreselijk kreng was, hoewel Boreas tot nu toe niet echt bewijs had gezien van dat dat mogelijk was en nee, hij had totaal geen last van confirmation bias, hoe dúrfde je) en je dag in dag uit omringd werd door mensen die alles en iedereen haatten en overal op zaten te vitten en alleen maar vagelijk aardig deden als ze iets van je nodig hadden. Ew. Nee, dan was Griffoendor vele malen leuker en al helemaal omdat daar al zijn vrienden zaten en nee, hij had totaal geen andere vrienden gemaakt als hij in Zwadderich had gezeten. Ga weg. ‘Ja, echt,’ beaamde hij, ‘iedereen is zo gemeen!’ Net zo gemeen als het concept dat boten konden koprollen, besloot Boreas al snel. Boreas was behoorlijk acrobatisch aangelegd, vond geen enkele truc te zot, maar dat mocht wel bij menselijk truukjes blijven, wat hem betrof. Het meerwater was koud midden oktober en als er al een Meermens was geweest, was die nu vast alweer verdwenen. Hoe oneerlijk! Boreas kon wel zwemmen (niet elegant, hij was al helemaal geen talent om naar de Olympische Spelen te gaan in de aanname dat hij dat met een fluitje van een cent zou kunnen winnen, maar hij kon redelijk efficiënt zijn hoofd boven water houden), had nog nooit Valentina uitgehoord over haar zwemkunsten en dus spartelde hij eerst maar een aantal keer in het water, verdwaasd een blik werpend op hun onbetrouwbare boot. Stom ding. Het enige wat een boot moest doen was blijven drijven en zelfs dat kon het niet! Pffft. Door het geluid van de golven en de wind hoorde hij Valentina’s “help!” niet, maar gelukkig besefte hij wel dat Valentina niet naast hem was en dat hij haar eigenlijk niet zag. Gek eigenlijk. Waren ze niet naar dezelfde kant gesmeten door de boot? Of hoe werkten dat soort dingen? Boreas kende alleen maar de zwaartekracht door zijn ervaringen, en zo vaak kwam het nu ook weer niet voor dat hij een boot deed kapseizen. Hij keek om zich heen, turend naar waar Valentina’s felrode lokken zouden kunnen zijn. Hoe moeilijk zou het kunnen zijn om haar te vinden? Niets anders op het meer was zo rood als dat… En toch. Maar hij zag wel beweging op een specifieke plek op het water en aangezet tot een ongemakkelijk type angst, een knoop in de buik, zwom hij vluchtig een aantal meter verder tot hij een mensje onder het water herkende. In een paar stokkende bewegingen, niet helemaal zeker van hoe hij dit diende aan te pakken, sleurde hij haar aan haar arm mee naar de kant van het Meer. Eenmaal op het droge was er vast niets meer aan de hand, toch? Een kopje onder was niet zo erg, aan een paar kopjes onder ging niemand dood. Het was erg als het een heel lang kopje onder was. Maar dat was het niet, dacht hij. Hoopte hij. ‘Je lijkt net een verzopen kat,’ flapte hij eruit zodra hij besloot dat ze levend en wel was.
  5. [1838/1839] Good things come to those who dress up

    ‘Tuurlijk zijn ze mak,’ antwoordde Boreas rap tegen Ayden, een oudejaars uit Huffelpuf (geen zorgen, Huffelpuf was een goedgekeurde afdeling, hoor, het waren alleen maar de Zwadderaars die stuk voor stuk vreselijke mensen waren en wil je nog iets weten? Boreas was er absoluut zeker van dat elke ouder die heel saai bezorgd keek naar het gebeuren een Zwadderaar was geweest), ook al was hij eerder misschien vijf minuten in totaal met die draken bezig geweest, maar goed, dat kwam allemaal wel dik in orde. Kinderen konden heus wel tegen een stootje. En zo nee ving hij de kindertjes wel op. Dat kon hij best. Monter plukte hij een jongetje in eenhoornkostuum van de grond en zette hij hem op een van de draken. Hij ging zelf achter hem zitten, want zelfs Boreas vond het niet meteen het beste idee ter wereld om een vierjarige zonder begeleiding op een draak te zetten (hoezo, hij was niet verantwoordelijk?!) en zonder al te veel inleiding of uitleg naar de rest toe (kinderen gingen vast niet alleen op een draak vliegen, toch?) steeg hij op. Hij zwaaide nog even vrolijk naar Valentina, meerminnenprinses die ze was, en brulde: ‘Kijk! Ik rijd op een draak!’ naar haar, alsof ze dat zelf niet kon zien, maar goed, Boreas wilde graag zijn enthousiasme delen. Hij vloog nog wat hoger, Bartholomew goed vasthoudend, en wierp een licht verblufte blik op naar beneden. ‘Iedereen ziet er superklein uit beneden! Oh, en ook best boos.’ Ach ja. ‘Waar zullen we straks landen?’
  6. [1837/1838] Write another story, we're fine

    ‘Natuurlijk! Augurken zijn vreselijk!’ antwoordde Boreas met enig gevoel voor dramatiek. Blegh, augurken. Wie vond die dingen nu lekker? Ze smaakten zo… augurkachtig. Iedereen wist toch dat augurkachtig synoniem was voor “alles wat slecht is op de wereld”?! Goed, Valentina misschien niet, maar zolang de Meermensen het er maar mee eens waren en dat geweldig vonden, was het allemaal prima. Hij tuurde nogmaals in het troebele water van het meer, maar het scheen echt geen groot succes te worden vandaag. Jammer. Maar niet zodanig dat hij alweer terug naar binnen wilde. ‘Denk je dat de Zwadderaars zichzelf wel aardig vinden?’ vroeg hij, terwijl hij zijn onderzoekende blik de picknickmand inwaarts richtte. Wat aten Meermensen in vredesnaam? Misschien hadden ze liever spruitjes… Of misschien moesten ze eens sla proberen, wat hij tussen de broodjes uit viste en naast de augurken hing. Sla leek wel wat op algen, niet? Misschien vonden ze alleen dingen lekker die leken op wat ze dag in dag uit zagen en Boreas kon zich nu niet meteen indenken wat er zoal op een muffin leek onder water. ‘Ze pesten echt iedereen!’ Wat de stoere griffoendors natuurlijk moesten zien te voorkomen, zo werkte de wereld en zo zou die altijd werken. ‘Zijn naam is eigenlijk Efstathios,’ antwoordde hij, ‘maar dat is superlang, dus we noemen hem Ef. Efstathios is voor als we boos op hem zijn!’ Boreas was zelden boos op Ef, al was het maar omdat hij hem nu bijna niet meer zag en Ef en hij gewoon redelijk veel in leeftijd scheelden, maar ach, het was goed om achter de hand te houden. Hij lachte, echter, bij het idee. ‘Stel je voor dat iemands naam gewoon een letter is! Dan ben jij V, en ik B.’ Jammer genoeg werkte dat nog prima, B & V, maar gelukkig was Boreas niet bezwaard door het gelijknamige duo en kon hij eenvoudigweg om het idee lachen. ‘Dan heb je wel heel luie ouders.’ Dat laatste woord maakte hij echter niet meer af, want Valentina zag een Meermens! Of niet. Enthousiast keek Boreas in de richting die ze aanwees, iets dichter en toen nog wat dichter… Plons! Prompt kapseisde de boot.
  7. Nee, Valentina, ze zouden helemaal niet voor die klopgeest moeten betalen, want klopgeesten in spiegels waren stom en hoorden niet in spiegels te zitten en al helemaal niet ergens waar ze gemakkelijk konden vallen. Daarbij kon hij nu niet de koene ridder gaan uithangen om Valentina te beschermen omdat die stomme geest niet tevoorschijn kwam. Stomme klopgeest. Stomme spiegel, stomme scherven, stom mes, stomme luster, stomme winkelier, stomme vaas en stom concept dat je een viavia nodig had om naar Rome te gaan. Stom, stom, stom. Oh, en de winkel was ook stom. Maar goed, Valentina was leuk en Rome ook, dus hij deed het er maar mee. ‘Een viavia?’ herhaalde de winkelier spottend — stomme! winkelier! — terwijl hij hen, twee rosse sprietjes, in zich opnam. ‘Waarvoor hebben jullie die nodig?’ Boreas voelde een horloge tegen zijn hoofd tot stilstand komen, hard, en humeurig draaide hij zich om, waardoor hij behendig een oud, dik boek kon ontwijken, die prompt in het gezicht van de winkelier terecht kwam. Het was vast niet zo aardig, maar het zag er grappig genoeg uit om Boreas aan het lachen te brengen. ‘Om in Rome te geraken,’ antwoordde hij echter uiteindelijk. ‘Duh.’ Je scheen geen diploma te moeten behalen om een geheimzinnige winkel te mogen uitbaten. ‘Ik heb geen viavia,’ reageerde de winkelier direct, humeurig om Boreas’ gelach. ‘Oh, jawel!’ kraaide de klopgeest. ‘Leugenaar!’
  8. Boreas was eigenlijk niet fantastisch in fluisteren, snapte niet geweldig goed waarom Valentina dat aan het doen was (hij voelde totaal niet aan wanneer je best kon fluisteren en wanneer niet, eerlijk gezegd, zijn normale modus operandi kwam neer op bijna schreeuwen om zich in het eeuwige rumoer en gewoel van het circus toch verstaanbaar te maken, maar hier, hier was dat niet nodig, hier kon hij zelfs Valentina’s gefluister zonder enig probleem verstaan), maar als zij het een beter idee vond, aapte hij haar wel braafjes na. In zoverre hij dat kon. En het niet als zijn normale volume klonk, slechts met wat meer lucht op zijn stem, net alsof hij mysterieus probeerde te klinken. Nu ja, dat paste bij de missie van vandaag, toch? ‘Zou het?’ fluisterde hij dus terug, zijn nieuwsgierige vingers ernaar uitstekend om te voelen en toen hij toch een snee voelde ontstaan, trok hij het snel terug. ‘Niet nep!’ Toch fronste hij er even naar. ‘Maar ik heb het lemmet niet aangeraakt…’ Hij had niet kunnen zien wat Valentina in de spiegel zag, wat hij wel jammer vond, maar voor hij het wist, kon hij met eigen ogen een enger tafereel aanschouwen, namelijk een boze winkeluitbater die naar het spiegeltje op de grond wees. ‘Kijk wat je gedaan hebt!’ Gehoorzaam keek hij omlaag. ‘Daar zat een klopgeest in,’ mopperde de winkelier door. ‘Bedankt, hoor, nu gaat alles hier kapot.’ Hij sloeg zijn armen overeen. ‘Dat mogen jullie terugbetalen!’ Boreas wist niet zo goed wat hij ervan moest denken. Er gebeurde zo… niets, waardoor hij aan het verhaal van de winkelier begon te twijfelen. ‘Het is maar één spiegel!’ protesteerde hij. ‘En nog een kleintje ook. Dat maakt toch niets uit?’ Hij kende niets van antiek, maar kom op, dat was toch compleet overdreven? En op precies dat moment viel de luster aan het plafond naar beneden.
  9. [1837/1838] Write another story, we're fine

    Boreas wilde heel graag de muffin en dus nam hij het gebakje blij aan. Een flinke jongen in de groei moest goed eten, dat excuus dat zijn moeder alleen maar gebruikte als ze vond dat hij dringend groentjes en alles moest gaan eten en dat hijzelf alleen maar gebruikte om aan te geven dat hij toch echt elke zoetigheid tot zich nemen moest. Straks stopte hij nu al met groeien! Nu was hij nog wat langer dan Valentina, maar straks groeide zij meer dan hij en dan zat hij er ook weer mee. Nee, kon echt niet. Hij uitte nog een bedankje, voor hij zich geconcentreerd op de etenswaren richtte. ‘Misschien eten Meermensen van die vieze dingen! Als ze onder water leven, zijn ze vast een beetje gek, denk je niet?’ Hij rommelde wat door de picknickmand. ‘Zullen we augurken uitproberen?’ Interessante picknickmand, dat wel. ‘Dat kan wel…’ antwoordde Boreas. Zíjn ouders waren niet zo, maar het was niet zo heel raar dat bange mensen ook kinderen kregen. Zelf dacht hij er niet zo over na, maar nu ja, moeders konden altijd goed bezorgd zijn en als het niet ging over dat hij zogezegd niet elke weddenschap moest aangaan, kon het vast wel gaan over waar je zoal naartoe ging! Zijn ouders kenden waarschijnlijk eenvoudigweg veel meer van reizen. ‘Gelukkig ben jij niet zo! Straks had je in… weet ik veel, Zwadderich gezeten en moest ik eieren naar je gooien in plaats van bevriend met je zijn!’ Nee, interfacultaire vriendschappen bestond niet. Pft, het idee alleen al. ‘Drie! Ik heb één oudere zus, Orielle, maar die is ook niet zo dapper eigenlijk. Reist niet zo graag en zo. Nog een oudere broer, Ef, en dan Cordelia, die ken je wel. Jij hebt er geen, hè? Dat kan ik me helemaal niet voorstellen! Is dat niet saai?’
  10. In principe had Boreas het ook aan Ef kunnen vragen of hij hen toevallig naar Rome kon brengen, maar eerlijk gezegd was dit veel leuker. Boreas had geen ouders die hem constant in de gaten hielden om er toch maar zeker van te kunnen zijn dat hij geen duvelstreken aan het uithalen was, dus voor hem was het een stuk gemakkelijker geweest om met Valentina weg te sluipen, maar zelfs hij, zo gewend aan om de zoveel tijd een volledig nieuwe omgeving en aan elke mens die het circus trekken kon, kon niet zeggen dat de sfeer die er hier hing hem bekend voorkwam. Het was zo nieuw, zoiets totaal anders dan hij gewend was. Niet zo… verwelkomend. Alsof je hier in theorie mocht komen, maar iedereen het zou appreciëren als je rap de deur weer uit was. En Boreas was daar nooit goed in. Boreas was altijd degene die het eerste kwam opdagen en als laatste pas de deur uit was. Hij gaf Valentina een kneepje terug, voor hij koppig (ja, oké, hij was zenuwachtig, maar hij ging dat heus niet laten zien! Ze hadden samen besloten om dit te proberen en nu nog terugkrabbelen was alleen maar stom) om zich heen keek om een winkel te vinden die eruit zag alsof ze er een viavia zouden verkopen. De etalage met alleen maar drankjes liet hij achter hen, de winkel zonder etalage eveneens, en ergens daarna vond hij een winkel die er een beetje uitzag als een winkel waar ze alles wel verkochten. ‘Misschien hier?’ suggereerde hij, in zijn hoofd subtiel knikkend. ‘Ik denk dat het een rommelwinkel is… Als ze het hier niet hebben, weten ze vast wel waar dan wel, niet?’ Hij kon van buitenaf niet zien of de eigenaar er vriendelijk uitzag of niet, maar eerlijk gezegd ging hij er bij voorbaat al vanuit van wel. Hij was niets anders gewend. Met enig ongeduld duwde hij de zware deur open en keek hij om zich heen. Hij probeerde er volwassen uit te zien, ouder dan hij werkelijk was, maar nu pas dacht hij eraan dat hij misschien “oudere” kleren had moeten aandoen, in plaats van zijn gewoonlijke kleren, meer op zijn plaats op een circus en altijd ergens wel vuil, die nu zo, zo uit de toon schenen te vallen. Nu ja. Daar kon hij nu niets meer aan doen. Hij knikte naar een dolk ergens op een tafel. ‘Die ziet er echt heel scherp uit,’ fluisterde hij tegen Valentina. ‘Ik hoop dat het dat niet is. Zie je iets dat het wel zou kunnen zijn?’
  11. [1837/1838] Write another story, we're fine

    Dat Meermensen niet van muffins hielden, was best stom. Deels omdat Boreas die muffin dan zelf graag had willen opeten (voor ze die in het water hadden laten zakken, had die er best smakelijk uitgezien), deels omdat hij die Meermensen echt heel graag wilde zien. Waarom kwamen ze niet? Ja, oké, misschien waren ze weleens komen loeren en had hij dat puur toevallig niet gezien – met Boreas’ aandachtspanne kon dat echt nog wel – maar hij wilde zo graag aan het avondeten aan al zijn vrienden kunnen vertellen dat hij ze echt had gezien. Hoe cool zou dat niet zijn? Maar goed, dat ging dus niet met muffins gebeuren. Hij viste zijn toverstok-hengel uit het water en keek enigszins vies naar de restanten van de muffin, die hij eraf schudde voor hij nadenkend naar de mand keek. ‘Wat zullen we nu proberen?’ vroeg hij, waarna hij weer het beste idee van de eeuw had: ‘Hebben we nog een andere muffin? Dan kunnen we die zelf eten!’ Hij had echt zin in muffins, oké. ‘Wel stom van je moeder, hoor,’ reageerde hij nog op haar eerdere verhaal. Wat voor ouder wilde nu niet dat hun kind allemaal avonturen meemaakte? Zijn ouders waren daar altijd een beetje laks in geweest, hadden alles wel prima gevonden, zeker nu zijn oudere broer het grootste werk al had opgeknapt, dus hij kon zich echt niet voorstellen dat hij meer zou moeten doen dan gewoon zo nu en dan zijn gezicht laten zien om aan te geven dat hij nog in leven was. Klonk als heel veel werk. ‘Je vader klinkt echt leuk – waarom zou je niet mogen gaan als hij erbij is?’ Hallo, dat was al één volwassene erbij! Méér dan genoeg. ‘Misschien moet je jezelf in zijn koffer verstoppen,’ opperde hij. Er moest toch íéts werken? Wat wilde hij haar leren? Zoveel, er viel zoveel te leren – Boreas was geen getalenteerde leraar, maar hij kon wel zijn eigen oefeningen uit de kast halen en haar dezelfde proberen te geven, dat prille begin weer bovenhalend. ‘Met mijn zus leren we dieren trucjes aan!’ Nu ja, hun konijn, maar dat konijn hield zich alweer even op in Huffelpuf. Misschien moest hij eens een co-ouderschapsregeling uitwerken met zijn zusje. ‘Maar zelf ben ik acrobaat! Wil je acrobaat zijn? Wel leuk, hoor. Ik vind het moeilijk om hier te oefenen, want de turnzaal is vaak bezet en zo, maar soms lukt het wel!’
  12. 8 juli 1838 Boreas was een groot fan van op Zweinstein zitten, heus waar, maar de magie van het circus waarop hij was opgegroeid, was een gevoel dat door niets of niemand geëvenaard kon worden. Hier klusjes opknappen voelde nauwelijks als werken (dat dacht hij niet als zijn ouders zeiden dat hij iets echt moest gaan doen, hoor, dan waren ze saai en verpestten ze zijn dag, maar ah, zijn gedachten konden ze toch niet lezen), zijn acrobatische toeren of koude kunstjes tentoonstellen zou altijd in zijn bloed zitten, zo natuurlijk als ademen, zo inherent als een klaterende lach zodra hij gekieteld werd, en dus, dus was hij altijd stiekem blij als hij hier terug was. Ja, natuurlijk miste hij zijn vrienden, maar ah, hij miste zijn familie ook als hij ze niet zag. Een evenwicht daartussen zoeken was nooit zo gemakkelijk als het leek. Maar het meest hield hij van dagen als deze, met een carnavalsfeest en allemaal kinderen om hem heen terwijl hij er eentje oppakte en rondzwierde, allebei in een drakenkostuum, hetzij dat van hem net iets groter en minder écht leek als dat van het kind dat hem al een tijdje aan het volgen was. ‘WIE WIL ER OP EEN ECHTE DRAAK VLIEGEN?’ brulde hij, de NEE straal negerend die hij ergens achter hem hoorde, zijn gevolg aansporend om naar de juiste kant, ergens helemaal aan het einde van het circusterrein, te rennen. Het was wel veilig, hoor. Heus. Zo ver konden die beesten niet gaan, niet degenen die ze hier in bruikleen hadden gekregen van het ministerie. Maar het was ook wel een beetje zíjn definitie van veilig. Daar hadden die hoge meneren met hun dure woorden niet over nagedacht. OOC: Open topic voor iedereen die naar een carnavalsfeest wil! Toegang is gratis als je verkleed bent. Boreas mag je niet als je dat niet bent.
  13. [1837/1838] Can't find paradise on the ground

    ‘Met koorddansen begin je heel laag, hoor,’ beloofde Boreas haar, maar eigenlijk was dit zowat hetzelfde verhaal. Je begon met zitten en staan en uiteindelijk, voor je het eigenlijk wist, was je bezig met de sprongen die je als klein kind met een opengevallen mond stond te bekijken. Met een uitzonderlijk aantal keer vallen op het palmares weliswaar, maar hij had dat het altijd wel waard gevonden. Natuurlijk was hij nog lang niet waar hij op den duur zou willen geraken, nog lang geen volleerde acrobaat, maar zelfs nu al proefden die kriebels in de buik als de vrijheid die iedereen hem zei allang te hebben. En ze voelden een beetje zoals de kriebels wanneer Valentina naar hem lachte. Door ze te combineren kon het alleen maar beter worden, toch? ‘Dan kan je niet écht vallen.’ Maar eigenlijk vond hij zelf altijd dat, als het enige risico vallen was, je eigenlijk niet kon spreken over een risico. Dus. Hij grijnsde vrolijk naar haar. ‘Dat kan ik je ook wel leren! Dat kan ik eigenlijk beter dan dit.’ Maar eerlijk gezegd was dat ook vooral omdat er in het circus niet zo heel veel mensen waren die hem wilden oefenen (druk, druk, er was altijd wel iets beters te doen, het was niet iets waar hij over kon klagen) en koorddansen was dan net iets gemakkelijker om in een hoek te oefenen. Had je alleen maar jezelf voor nodig, een koord en een klein beetje plaats. En Boreas vond altijd wel plaats. ‘Hé, zo goed kan je wel wórden!’ Natuurlijk kon ze dat — hij kon zich bijna niet voorstellen dat Valentina iets nooit onder de knie zou krijgen. Omdat ze dat meteen al demonstreerde, klapte hij blij met de ontwikkelingen in zijn handen, eenmaal, tweemaal, vlak voordat hij zich bedacht dat hij dit nooit echt had voorbereid en nu iets moest verzinnen. Wat hadden ze hem ook alweer laten doen tegen de tijd dat hij op een trapeze kon staan? Geen idee eigenlijk. Hij had altijd direct de lucht in gewild, willen gaan springen. ‘Wil je nu de lucht in?’ Boreas was nooit zo goed in bedenken dat iemand anders iets anders zou willen dan hij. ‘Dan moet je er wel niet op staan.’ Of, nu ja, het kon in theorie. ‘Dan ga je eraan hangen.’ In theorie kon hij vast wel een net eronder hangen. In de praktijk moest Valentina er zelf om vragen, want Boreas dacht daar niet aan. Vallen was ook maar vallen!
  14. [1837/1838] Write another story, we're fine

    Hij glimlachte breed naar Valentina bij het compliment - Valentina! vond! hem! slim! — en besloot dat de blos op zijn wangen vast niet opviel. Nah, vast niet. Hij was ros; zijn hoofd was vaker wel dan niet een tomaat en Valentina had er nog nooit rot over gedaan, dus nu zou ook wel niet. Maar nu ja, op zich zei dat niet zoveel. Valentina deed nooit rot, dat kon ze vast gewoon niet, want Valentina was gewoon altijd lief en aardig en avontuurlijk genoeg om zijn doorsnee plannen slim te vinden en het uit te proberen. En als hij heel eerlijk was, had hij vroeger vast wel een keer een prinses verzonnen die precies zo was wier naam hij niet meer zou weten (maar die nu op geheel toevallige wijze Valentina was gaan heten in zijn hoofd), maar hij deed graag alsof dat niets zei. Alsof ooit verzonnen droombeelden die nu bewaarheid schenen te zijn gewoon… stom toeval waren. En dat was het ook, niet dan? Alleen maar stom, stom, stom toeval, of hij nu nooit aan haar kon denken zonder het woord stom te vergeten, alsof elk slecht woord niet kon bestaan in dezelfde wereld als Valentina Callahan, of niet. Puh. ‘Ik ben nog nooit in China geweest,’ zei hij, heel even naar Valentina kijkend terwijl ze bezig was en zodra hij dacht dat ze het merkte snel naar de geïmproviseerde hengel, ‘maar wel in Rome! Rome is echt heel leuk, daar móét je echt geraken. Zouden je ouders je ernaartoe meenemen? Anders gaan wij wel gewoon!’ Op de een of andere manier. Hoe moeilijk kon het zijn? Hij hoorde om de haverklap van mensen die weer eens naar een ander land waren weggehuppeld. ‘Oh, vast wel.’ Hij haalde zijn schouders op. ‘Anders leer ik je gewoon een circustrucje en zeggen we dat je een nieuwe artiest bent. Dat geloven ze wel.’ Wist hij veel dat artiesten werden aangenomen en niet gewoon geadopteerd zodra ze verschenen. ‘Je zou er vast goed in zijn!’
  15. [1837/1838] Can't find paradise on the ground

    Boreas schudde zijn hoofd. ‘Nee, het is geen schommel,’ legde hij uit, terwijl hij Valentina hielp met op de trapeze te raken, licht, licht blozend bij de kortstondige aanraking. ‘Eigenlijk kan je er circustrucs mee doen! Dat doe ik thuis altijd. Ik heb ook een act met mijn zus, maar dat is iets helemaal anders.’ Een dierenact, vrij eenvoudig, maar leuk genoeg om te tonen. Niet leuk genoeg om Valentina’s hart mee te winnen, zo had hij geredeneerd, en dus had hij Zweinstein maar afgezocht tot hij een trapeze had gevonden. ‘Maar met erop kunnen zitten en staan begint alles.’ Vrolijk keek hij haar aan, terwijl hij voorzichtig losliet. ‘En straks ben je ook acrobaat!’ Oké, zo snel ging dat niet – Boreas was er al zijn hele (betrekkelijk korte) leven mee bezig – maar toch! Valentina kon alles, als je het aan hem vroeg. Waarom zou ze dit niet ook kunnen? ‘Kan je erop staan?’ stelde hij voor. Hij wist niet meer zo goed hoe hij het zelf geleerd had, maar in alle eerlijkheid kon hij zich ook niet meer herinneren hoe het was geweest om géén acrobaat te zijn, dus… Ja. Misschien was hij niet de beste leraar hiervoor. Maar kijk, dat maakte niet uit, want hij wilde het Valentina graag leren, puur omdat hij alles wat hij ooit meegemaakt had met haar wilde delen, haar alles wilde tonen wat zijn ogen ooit gezien hadden, en dat moest maar genoeg zijn. In zoverre Valentina’s gezelschap alleen al dat niet al was. ‘Wat ik ook leuk vind om te doen, is koorddansen,’ deelde hij mee, ‘maar ik kon dat hier niet vinden.’ Tragisch. ‘Maar als ik je dit kan leren, kan je in de vakantie in het circus komen en kan je misschien zelfs een keer meedoen! Zou dat niet tof zijn?’
×