Jump to content

Armand Foulkes-Davenport

Magisch Verbond
  • Content count

    106
  • Joined

  • Last visited

  • Days Won

    4
  1. Thomasin vond het goed. Natuurlijk vond ze het goed. Hij had eigenlijk ook niets anders verwacht. Thomasin was van het juiste doen, van plichtsbesef, van de moeilijke route nemen als het maar om je principes ging, en Jude was zijn minderjarige familielid. Daarvoor zou hij moeten zorgen, zo simpel was het. Ze zou het hem kwalijk nemen, wanneer hij bij deze plicht verstek liet gaan. Daarenboven was het ook belangrijk voor hem en daarom zou ze het ook willen doen, want dat was dan weer haar plicht, om haar echtgenoot te steunen bij de dingen die op zijn pad kwamen en die hij tot een goed einde wilde zien. Hij begreep dat soort motivaties steeds beter, al had hij ze nog niet echt eigen kunnen maken. Oh, Armand deed zijn taken, droeg zijn steentje bij, hielp anderen. Maar dat was niet vanwege een intrinsieke motivatie om het juiste te doen, eerder omdat anderen hem dan aardiger zouden vinden, meer zouden waarderen. Niet aan hem zouden storen, en hem zelf zouden komen vragen om hulp. Omdat, als hij onmisbaar was voor zijn omgeving, die omgeving hem misschien niet zou laten gaan. Oh ja, en feitelijk maakte het natuurlijk niet uit of Thomasin het goed had gevonden of niet. Armand deed het niet zo lijken, maar hij kon heus wel op zijn strepen staan wanneer absoluut nodig. Thomasins huis was ook het zijne, officieel gezien zelfs helemaal het zijne, en het stond hem vrij daar familieleden in te herbergen. Haar plichtsgevoel zou het haar niet toelaten om tegen een directe, expliciete wens van hem in te gaan. Dat was alleen een methode die hij streefde zo min mogelijk te hoeven gebruiken. Het zou haar toch wel kwaad maken, plichtsgevoel of niet, en zou haar in herinnering brengen waarom ze in eerste instantie tegen trouwen was geweest, en dat wilde hij niet. Hij wilde samen gelukkig zijn. Goedschiks of kwaadschiks. Tot nog toe was het nog nooit echt nodig geweest. Armand had een scala aan andere methoden tot zijn beschikking. En Thomasin trapte doorgaans in ze allemaal een voor een. “Oh, ja, laten we dat maar doen,” knikte hij. “Goed idee.” Feitelijk was een of twee kamers geen enkel verschil voorzover hij wist behalve dat je dan nog over de gang moest, en dat je nog veel meer je best ging moeten doen om in te richten wat maar weer een gedoe was, maar als dit de manier was waarop het beter in het leven in het landhuis paste, dan deden ze het maar beter zo. En dan konden ze Jude tegelijk een beetje verwennen, wat hij vast wel ergens enigszins op prijs zou kunnen stellen. Hij wachtte tot Rosie weer weg was, glimlachte toen. “Nee, niet veel meer te regelen, wat met Zweinstein, wat boeken bestellen... als jij het huishoudelijk stukje voor je rekening neemt, doe ik de rest. Of liever andersom?” Per slot van rekening was Thomasin docente op Zweinstein, en had hij niets met de school. En zij niets met het inrichten van de kamer van een tienerjongen. Sorry, schat. “Maar eerst maar even eten.” Oh, nee, Judes tafelmanieren. Niets aan te doen. Hij kon hem moeilijk meteen op dieet zetten. Ze gingen naar de eetkamer, waar Gabriel rustig, koninklijk, op hen zat te wachten en een lachje zijn gezicht openbrak zodra ze binnenkwamen. Energiek wapperde hij naar Armand en toen Jude. “Paapapapa.” Tja. Dat was ook verwarrend. De borden werden gebracht. “Eet smakelijk,” wenste Armand de rest tevergeefs toe. “Aagig,” was Gabriels hartelijke contributie. “Wat wil je morgen doen, Jude? Je moet temidden van al deze heisa wel een beetje van je vakantie kunnen genieten...”
  2. De gitaar uitzoeken deed alles wat Armand ervan had kunnen of durven verwachten: Jude was enthousiast, liet dat een beetje blijken of slaagde er althans niet in dat compleet te verhullen, hij deed moeite en liet een voorkeur merken die, hoewel een groot deel van de keuze tamelijk esthetisch was, aangaf dat hij ook wel gevoel had voor de klankkleur van een instrument, en dat hij goed genoeg kon spelen en vooral stemmen dat zijn hobby waarschijnlijk een waardevolle toevoeging zou zijn aan het huiselijk leven op Catsfield. In plaats van iets waar je in mee moest gaan als oudere broer omdat je brede ontwikkeling nu eenmaal moest aanmoedigen maar waar je zelf je muren geluiddicht door zou willen gaan maken. Want ja, ook dan zou Armand nog de gitaar voor hem hebben gekocht en hem hebben willen stimuleren: het was namelijk veel belangrijker om te zien dat Jude iets leuk kon vinden en zijn best kon doen, dan wat voor geluidsoverlast dan ook. Nu ja, misschien als z’n broer fanatiek slecht violist was geweest, dat hij dan een andere minder moreel juiste afweging gemaakt zou hebben. Met een gitaar kon als je hem goed stemde tenminste niet veel misgaan. Met een viool... Thomasin was al thuis toen ze terugkwamen en hoewel Armand normaal blij was als ze er geen latertje van maakte - vaak samen met Irwin tot laat op kantoor bleef, heel gezellig, dubbel frustrerend, al was Irwin nu natuurlijk ziek dus misschien kwam het er niet van of de kerstcadeautjes waren nog te belangrijk - had het hem vanavond wel goed uitgekomen, want dan zou Jude ongetwijfeld op zijn kamer bezig zijn geweest met hem iets meer puberale-tiener vriendelijk maken en dan had hij in alle rust aan Thomasin uit kunnen leggen wat er was gebeurd en wat er te gebeuren stond. Dat was prettig geweest, omdat bij deze uitleg hij onherroepelijk het over dingen moest gaan hebben die Jude (en hij) liever compleet negeerden, en hij niet wist maar zich wel kon indenken hoe dat voor zijn nieuwe broertje moest voelen. En omdat Armand, altijd de manipulator, de showman, nu eenmaal liever werkte voor een eenduidig, eensgezind publiek. De persoon die hij het beste voor Jude kon zijn overlapte nauwelijks met de echtgenoot die hij was voor Thomasin en dat maakte dit lastig. Maar het moest maar even. Hij had er plotseling een broer bij. Natuurlijk werd het lastig. Hij knuffelde Gabriel, kuste lichtjes Thomasins wang, en liet het gesprek uitdijen terwijl hij streed om het mutsje (halfhartig, want hij had wel sympathie met zijn kleine jongen, mutsen waren ondingen) totdat hij om interruptie werd gevraagd. “Ja, klopt.” Hij haalde een hand door zijn haren - Gabriel gooide het mutsje zo hard hij kon van zich af. “Ik had je verteld over mijn ouders, toch, lieverd? Ze hebben eenzelfde stunt geflikt bij Jude. Alleen mijn adres voor hem achtergelaten...” Gabriel trok aan zijn haren, en Armand dankte hem in stilte: hij had zich opgelaten gevoeld. “Dus hij moet hier komen wonen, een continent verder.” In de aanwezigheid van Jude voelde het vervelend om Thomasin excuses aan te bieden voor de overlast. “Wat is de handigste kamer voor hem, denk je? Ik dacht die aan de start van de linkervleugel - mooi uitzicht en die is lekker ruim, kunnen we ook goed een bureau enzo in gaan zetten.” Op het moment stond er een chique schrijftafeltje en dressoir, de standaard gastenkamer inrichting van een landhuis - Armand had dat nooit helemaal begrepen en nu zeker dacht hij dat het goed zou zijn voor Jude om z’n huiswerk op z’n kamer te kunnen maken. “Voor huiswerk ook nodig.” Officieel voor magie. In feite voor rust in zijn hoofd. En dat van zijn medebewoners.
  3. Mooi? Armand lachte zachtjes. “Mm. Geloof me - ze is schitterend.” Hier was het niet nodig om Jude zijn eigen mening te laten vormen. Thomasin was belachelijk knap. En als zijn broer daar anders over dacht, dan zou hij waarschijnlijk nog wel zo beleefd of snugger genoeg zijn om dat voor zich te houden. Niet dat het dan nodig was om op deze manier met Jude te praten, maar hij merkte ook wel dat zijn broer zich er gemakkelijker bij voelde, dat dit een gesprek was wat hij voor de verandering graag met hem aanging en zodoende besloot Armand er maar in mee te gaan. Per slot van rekening kon het geen kwaad. Voor Thomasin een eerlijke man van hem had gemaakt had hij nog behoorlijk vrijelijk gedate, ook. Niet zo drastisch als bijvoorbeeld Daniel, niet meerdere tegelijk en ook niet semi-serieus, maar wel losjes. Dus over zijn type kon hij best iets prijsgeven. “Ah... slim, beetje koppig, beetje uitdagend. Niet al te makkelijk. Dat heb ik wel gedaan maar dat verveelt.” Hij vond het helemaal niet erg dat er doorgaans een oceaan tussen hem en zijn exen zat. “En knap. Zo oppervlakkig ben ik dan wel weer. En bij jou?” Waarschijnlijk nog wel makkelijk. Jude was per slot van rekening nog jong. Picknicken in het park, of vooral in de tuin, onder een parasol en met hoeden op deden ze inderdaad wel, al was de zomer, of althans de zwoele dagen waarin Thomasin danwel Rosie het niet te koud vonden voor Gabriel alweer een lang verleden tijd. De winters waren lang hier in Engeland, waar ze vrijwel eind september begonnen en pas mid maart tot een heuse belofte van einde kwamen. Als het niet was dat ze met kerst altijd verwacht werden bij familie zou Armand Thomasin en Gabriel misschien naar het andere halfrond mee hebben genomen, voor een beetje zon en een onderbreking van de sneeuw en de koude en het werk. Maar ja, dan was Jude voor een dichte deur komen te staan. Dus eigenlijk moest hij maar blij zijn dat dat er niet van was gekomen. Was hij ergens ook wel. Heus. “Van wat ik begreep, vond onze opa Schotland te klein worden voor de familieambities, en vonden ze dat hier verraad... maar inmiddels is het weer keurig gladgestreken, hoor. Ze hebben zelfs een huwelijk tussen de twee takken gesloten.” Na twee keer proberen, dank je, Irwin. “En we lijken wel een beetje. Niet zoveel als jij en ik, maar... zelfde vorm van het gezicht, een paar herkenbare trekjes. Je kunt wel zien dat we familie zijn, zullen we zeggen.” De uil gevonden, rekende Armand af en gingen ze naar de gitarenwinkel, terwijl hij onderwijl verder vertelde. “Gabriel kan woordjes, maar nog niet veel in een herkenbare taal.” Hij grijnsde. “Hij heeft wel de eenhoorns van m’n neef namen gegeven en dat is nog niet eens zo slecht uitgepakt. Ah, de muziekwinkel.” Hij vroeg naar gitaren en ze mochten van alles proberen, hij koos zelf een tamelijk klassieke. “Hierna maar weer naar huis? Dan zal ik je aan iedereen voorstellen en kun je je kamer al een beetje naar een nieuwe inwoner gaan heroriënteren. Viooltjes eruit, enzo.”
  4. Feesten voor Dreuzelse adel. Armand knikte. “Ja, die zijn er wel, maar daar ga ik doorgaans niet heen.” Thomasins huwelijk betekende gelukkig dat ze nu ook naar Dreuzelse dingen in haar eentje kon gaan zonder dat iemand er raar van op zou kijken, en Armand had nog niet de neiging gevoeld om zich tot op die hoogte in de Dreuzelsamenleving te verwikkelen. Catsfield was okay – hij kende, tot op een zeker niveau, de mensen hier, hij mocht ze, en deed graag wat moeite voor ze, deels ook omdat ze hem dan meer zouden mogen en omdat het op Thomasin een goede indruk zou maken – maar de rest van de Dreuzelmaatschappij deed hem nog vrij weinig en liever hield hij het zo. Het was niet alsof tovenaars zijn leven niet ruimschoots druk genoeg konden maken. En waar de Catsfieldenaars in hun smaakje Dreuzel nog iets best bijzonders hadden, omdat ze wat armer waren en wat harder werkten, vond hij Dreuzelse adel maar niets: dat was hetzelfde als zijn kringen maar dan minder interessant, en daar knapte hij op af. Hij voelde zich niet helemaal gemakkelijk bij Judes vragen naar Gabriel. Hij bedoelde het vast niet zo, zijn broer, maar het voelde alsof hij overhoord werd op zijn ouderschapstechnieken en gegeven de context vond hij dat maar niets. Hij liet dat echter vanzelfsprekend niet blijken. “Oh, het wisselt. Soms maak je een lange dag en dan is het inderdaad een uurtje voor ’t slapen, soms werk ik thuis en dan neem ik wel de tijd om in elk geval een tijdje met hem te spelen, buiten vaak als het weer het toelaat en anders voorlezen ofzo... Of met de dino’s spelen. Hij is wild van dino’s.” Dank je wel, Irwin, je hobby’s zijn weer eens onweerstaanbaar. Nou moest Armand toegeven dat hij moeilijk zijn eigen hobby’s aan een negen maanden oude baby kon verkopen. Dat was geschiedenisboeken lezen, namelijk. “En op dagen vrij doen we dan iets met z’n drieën.” Zo. Van dat examen had hij zich keurig gekweten. Het was nog eens waar, ook. Jude volgde zijn advies over het scheermesje niet op, en Armand registreerde dat met een inwendige zucht. Fantastisch, een puberbroer, nou ging hij weer alles manipulatief moeten doen, A zeggen om C te bereiken... vermoeiend en het zou ook lastig te combineren worden met Thomasin aan wie hij die kant van zichzelf niet graag liet zien. Ah, Thomasin. Dat ging nog leuk worden. Maar hij knikte, rekende af en ze gingen naar de dierenwinkel voor de uil. “Zoiets ja,” erkende hij op Jude’s vraag naar de tijd, al keek hij even op zijn horloge – was niet nodig, hij wist het nog best maar wilde dat liever niet laten blijken, niet eens aan zichzelf, wilde doen alsof hij geaard was hier in Engeland. “Goh... een beschrijving...” Hij haalde een hand door zijn haren. “Je hebt de grootouders. Die zijn niet erg vooruitstrevend. Daar lag onze opa compleet mee in de clinch, destijds. Mm.” Die opa die Jude nooit had gekend. Dus dat was geen relevante informatie. “Dan Than, die is ook Heler, zal het vast erg waarderen dat jij plannen in die richting hebt – wil je ook ongetwijfeld wel eens van alles laten zien. Enfin, zijn vrouw, Daphne, en die hebben twee kinderen, ook allebei getrouwd, Irwin, van mijn leeftijd – een beetje een stuudje – en Elaine. Die is getrouwd met een neef van ons, Daniel, die is ook uit Canada – die ken je misschien wel van Ilvermorny? Jullie zullen een paar jaar samen op school hebben gezeten.” Ze waren inmiddels bij de dierenwinkel aanbeland en dit keer ging Armand Jude voor naar de langeafstandsuilen en liet hem het daarna gewoon zelf uitzoeken. Bespaarde iedereen tijd en energie.
  5. Ja, Thomasin werkte nog en Armand voorzag eerlijk gezegd niet dat dat op korte termijn zou veranderen. Toen hij haar trouwde, toen ze zwanger was, had hij gedacht dat dat binnen de kortste keren wel over zou zijn of althans steeds minder zou worden: maar naarmate hij haar beter had leren kennen, had hij ingezien dat dat een niet erg realistische inschatting was geweest. Ze had een lange pauze genomen na Gabriels geboorte, deels op zijn aanraden, deels omdat ze Gabriel niet alleen had kunnen laten, maar inmiddels leek ook dat stadium voorbij en had ze zich weer volop in haar werk gestort. Hij begreep het niet zo goed - de universiteit leek ze niet eens uitzonderlijk leuk te vinden - maar ja, het had geen zin om dat te onderstrepen want Thomasin had moeite met de gedachte dat ze dingen zou doen omdat ze er plezier aan beleefde uberhaupt. Hij had wat dingen van haar overgenomen, subtiel, meer en meer, en had nu bijvoorbeeld behoorlijk wat invloed in het runnen van het landhuis en Catsfield ergens ook - mensen begonnen naar hem toe te komen in plaats van haar, omdat hij er sneller was, dat was niet de bedoeling geweest, het bleven Dreuzels, maar hij ging natuurlijk niet terug delegeren van taken die hij had overgenomen. Deels was dat met het idee dat zij het dan wat rustiger aan zou kunnen doen, deels was dat gewoon wat Armand deed. Verantwoordelijkheid nemen voor het goed verloop van feitelijk alles. Probleem was, wat Thomasin deed was niet het rustiger aan doen, dus taken die hij wegnam werden met twee meer taken vervangen. En, tot zijn verbijstering, wist hij niet langer precies wat hij daarvan vond. Aan de ene kant was het vervelend dat ze zoveel andere dingen te doen had en nauwelijks tijd voor hem maakte. Dat ze ervan uitging dat hij er toch wel zou zijn. Aan de andere kant begon hij ergens zich wel te beseffen dat hij ook niet gelukkig zou zijn geworden van een vrouwtje dat altijd op de bank zat met je kind. Haar onafhankelijkheid, haar rechtlijnigheid, waren wat hem zo in haar had aangetrokken - niet haar gemoedelijke, gedwee karakter of haar gebrek aan ambitie. Had hij dat gewild, dan had hij genoeg keus gehad bij andere meiden. Het was me wat: moeten confronteren dat je anders was dan je had gedacht, dat je andere dingen wilde, was voor een manipulatief persoon als Armand die altijd alles organiseerde om te krijgen wat hij wilde best schokkend. Maar ja, dat was zijn leven: meer en meer een conflict tussen wie hij was, en wie hij was geworden. De invloed van zijn ouders nog aanwezig in elke drie gedachten. Dus hij kon zich Jude’s keus voor drugs best voorstellen, ja. Tot op het punt dat als hij niet z’n grote broer was geweest en niet Gabriels vader en als hij niet wat ouder was geweest met meer vooruitdenkend vermogen, hij waarschijnlijk mee was gaan doen. Bah. “Nee, het is niet echt gebruikelijk,” antwoordde hij luchtig. “Meer in de magische wereld, maar dan nog... maar ze vindt het leuk, en we hebben gelukkig een goede nanny.” Hij zette een gedecideerde streep bij zelf thuis moeten blijven voor Gabriel. Dat wist Thomasin niet, want tegen haar zette hij nooit gedecideerde strepen, maar hij stond er wel, hoor. Of hij gelukkig was... “Ja.” Hij antwoordde zonder aarzelen. Hij was gelukkig, toch? Hij moest gelukkig zijn. Hij had een goede baan, een goede vrouw, en een lief zoontje. Hij was bij wijze van spreke gelukkig simpelweg als resultaat van de optelsom. Als hij niet gelukkig was, dan was alle hoop verloren. Hij ging in elk geval niet toegeven dat wat de optelsom betrof Jude’s arriveren een aftrekpost was. Gelukkig gaf de jongen een redelijk openhartig antwoord over de drugs. “Ja, ik ben blij dat je het gezegd hebt,” gaf hij aan. “Had het anders wel van Ilvermorny gehoord... ik zal je gegevens naar Zweinstein over moeten zetten immers.” Hij stak z’n handen in z’n zakken. “Hou me maar een beetje op de hoogte. Je hoeft er niet over te liegen. En mocht je er eens van af willen, dan ben ik er.” Natuurlijk geloofde hij Jude maar zeer ten dele als die aangaf niet verslaafd te zijn. Hij zou hem ook wel in de gaten houden. Hij had zo zijn eigen methoden. Maar hij deed het liever zonder confrontatie. Liever ging hij over scheermessen door. “Ja, ik heb die,” wees hij, “maar deze doet alles automatisch, dan kun je ondertussen lezen ofzo.” Vond hij niet prettig. Messen bij zijn gezicht wilde hij toch echt zelf onder controle hebben. Canada, z’n ouders waren in Canada gebleven. Of er teruggekeerd. Ze waren Spaans aan het leren geweest toen ze vertrokken, hij had altijd gedacht dat ze naar een Spaans sprekend land zouden zijn gegaan... “Wel zorgen dat je je magische spullen opbergt voor het meisje langskomt om schoon te maken. Neem er maar een goede toilettas bij... oh, en een hutkoffer voor naar school.” Mooi niet dat zijn broer met een plunjezak kon aankomen. “Eerst uilen of eerst gitaren? We moesten voor jou maar een goed snelle uil nemen, die lange afstanden kan... dan kun je een beetje in contact blijven met mensen van Ilvermorny. Moet lastig zijn om weg te gaan.” Voorzover contact gewenst was. Breken van waardeloze vrienden was op zich geen slecht idee. Daarom stelde Armand ook niet voor dat Jude ook wel naar Ilvermorny terug kon.
  6. Inmiddels begon er wel een positief puntje van Jude zoetjesaan op te doemen in de ongemakkelijke interactie tussen de twee broers – de jongen leek althans intelligent. Bovengemiddeld, zelfs. Luisterde aandachtig, zei weinig, hield zichzelf enigszins op de vlakte en bestudeerde de omgeving, maar wist aan de woorden van anderen wel een hoop conclusies te verbinden. Het kwam Armand voor dat ook hierin hun appels misschien ver van de boom waren gevallen, daarover zou de jongen die op negenjarige leeftijd door zijn ouders was verlaten en ze daarvoor niet echt had leren kennen geen uitspraken durven doen, maar dat hun appels tenminste niet heel ver van elkaar waren beland. Dat was dan weer een minder aangename realisatie. Jude was voorlopig niet iemand op wie Armand wilde lijken. Of, nee, dat was niet helemaal waar. Prive, persoonlijk vond hij het niet erg, vond hij het ergens fascinerend, wilde hij het ergens ook juist weer wel want dat was een deel van de droom die hij in de ogen van zijn broer nu uitgeschreven zag, familie... Maar hij wilde niet publiekelijk gedefinieerd worden door zijn broertje, wilde niet dat de wereld hem zou gaan bekijken door een lens die door Jude gekleurd werd. Gaan zoeken naar de zovele overeenkomsten en de weinige verschillen. Door hun grote fysieke gelijkenis zouden mensen automatisch uitgaan van een verdergaande gelijkenis, zouden in Jude trekjes van Armand zoeken, zouden zich bij Armand af gaan vragen in hoeverre zijn gepolijste voorkomen exact dat was, louter een voorkomen... En dat kon hij zich niet veroorloven. Maar hij zou ook nooit iets anders doen dan wat hij nu deed. Hij glimlachte, begreep de vraag van zijn broer. “Thomasin werkt, dus soms ben ik eerder thuis. Maar het is vreemd, ja... bijzonder...” Slechts zij tweeën zouden waarlijk kunnen bevatten hoe bijzonder dat was, en hij merkte dat hij het zijn broertje al zou gunnen. Niet dat Jude binnenkort in de buurt van zoiets zou komen. Maar een onderdeel van zijn familie zou hij misschien al wel kunnen zijn. Vervolgens bevestigde hij Armands vermoeden van intelligentie, allereerst vanwege zijn aspiraties, ten tweede vanwege zijn inschatting en beslissing om op de feiten voor te lopen. “Daar kan ik me eerlijk gezegd wel iets bij voorstellen,” gaf Armand toe, terwijl hij zijn broertje aankeek. “Opgroeien bij onze ouders... Het is al indrukwekkend dat je het zo ver geschopt hebt, schat ik zo.” Hij humde. “Hoe serieus is het? Ben je verslaafd? Heb je er hulp bij nodig? Want dat kunnen we voor je regelen, natuurlijk."
  7. Armand glimlachte, maar stond zichzelf niet toe om te kleuren. Dat zou teveel laten zien van zijn gevoelens, of van het feit dat hij die bezat, en dat was meer dan hij voorlopig wilde prijsgeven aan zijn broer. Ook hij was niet echt geneigd tot oprechte emotie in de nabijheid van familieleden. “Nou, mogelijk niet het eerste,” lachte hij zachtjes. “De derde misschien?” Of had hij haar bij hun derde ontmoeting al in bed gekregen? Ahem – het scheelde niet veel. Tja, het had hem niet eens zo verbaasd toen het gebeurde. Hij was er destijds nog zo aan gewend geweest dat hij voor elkaar kreeg waar hij zijn zinnen op had gezet; en nog zo gewoon dat de meeste meisjes waarin hij daadwerkelijk geïnteresseerd was ook geïnteresseerd waren in hem, en niet alleen dat, maar ook vaak ietsje geïnteresseerder. Nu hij Thomasin langer kende had hij eigenlijk nog beter door hoe bijzonder dat was geweest, hoe weinig het werkelijk voor de hand had gelegen. En hoeveel geluk hij had gehad. Het was aan de ene kant een wonderlijke realisatie, aan de andere kant was het enigszins eng. Armand vertrouwde niet graag op geluk. “Ach, ik zal je je eigen conclusies laten trekken,” grijnsde hij, en hij nam nog een secuur slokje koffie. Het smakken en het slurpen, je zou denken dat het toch zou moeten wennen, maar het bleef met elke hap weer ellende. “Je zult haar ontmoeten. Maar ze is erg lief.” Wat waar was, en het belangrijkste, en nietszeggend genoeg dat Armand zich tamelijk op de vlakte kon houden. “En ik werk voor het familiebedrijf. We creëren en verkopen juwelen. Ik kan je wel eens wat laten zien, deze vakantie, als je tijd hebt.” Een beetje zou hij toch wel meekrijgen, want hij hoorde er nu bij, dus de stenen zouden ook onderdeel van zijn leven beginnen te vormen. Hoopte Armand althans. Verwachtte hij ook wel. Zo was het bij hem ook gegaan. “En voor de posters had ik je thuis wel gevraagd wat je erop wilde... maar dit gaat lukken.” Pffft. Hij was aangenaam verrast dat Jude boeken over regels en gebruiken in Engeland wilde. Met een beetje geluk hoefde Armand het hem dan allemaal niet aan te leren en kon hij zijn broer-rol zo veel mogelijk vasthouden in plaats van voor een faux vader rol inruilen. En het werd nog beter: uiteindelijk kwam er een bedankje uit, en vervolgens... “Ja,” lachte hij snel. “Dat lijkt me leuk. We zullen er twee halen.” Zijn oude had Jude waarschijnlijk gevonden, en hij wist niet hoe goed hij het nog kon, maar hij kon het zich zo weer voor de geest halen. “Genoeg gegeten? Dan gaan we gewaden, boeken, je uil en gitaren halen.” Dessert deden ze dan vanavond nog wel. “Wat wil jij eigenlijk worden? Je hebt je oriënterende gesprekken dan al gehad op Ilvermorny?” En ondertussen betaalde hij en liepen ze naar de gewadenwinkel, tenzij Jude roet in het eten gooit.
  8. [1837/1838] Angry people are not always wise.

    “Och, ja, met proefpersonen werken kan zo’n uitdaging zijn,” knikte Than, die de kwaliteit van zijn zoon, die in alles wel oprecht geïnteresseerd kon zijn zolang het relateerde in onderzoek en niet per se personen, duidelijk ook dubbel en dwars bezat. “Helaas hebben we daar ook binnen de medische professie nog niet echt veel betere alternatieven voor gevonden, al is het daar vaak zelfs nog ietsje lastiger...” Omdat onderzoek in de gezondheidszorg fundamenteel uitging van twee tegen elkaar conflicterende belangen, aan de ene kant moest je je best doen voor de patient, aan de andere kant kon het belang van de individuele patient niet leidend zijn in onderzoek. Than kwam daaromheen, wist Armand, door ook onderzoek te doen bij niet patienten, maar lastig was het allemaal wel. Zodra ze echter weer aan tafel zaten was hij verstandig genoeg om het onderwerp te laten gaan, want het was Daphnes straf op conversatie over het werk in haar bijzijn nog niet waard, en bovendien had Armand het weer enigszins overgenomen: die lachte Thomasin toe, al was hij niet geheel tevreden met haar antwoord. Ten dele wel. Ze ging het proberen, hij zou vaker weten waar zij was, waar Gabriel was, het was niet meer een compleet langs elkaar heen bestaan – niet dat dat het tot nog toe wel was geweest, eigenlijk was het meer alsof zij de planeet was en hij haar maan, zij bewoog haar eigen pad en hij draaide om haar heen. Ergens was het ontzettend sneu, en ergens nam hij het zichzelf ook wel kwalijk. Maar hij wist niet hoe er iets aan te doen. Als hij er iets aan zou doen, dan was hij bang dat hij haar zou verliezen. En hij was liever een planeetgebonden maan, dan alleen. “Maar, Daniel en Gabriel hadden het naar hun zin gehad? En verder heeft hij zich dus elke keer als je hem meeneemt gedragen?”
  9. Oké. Jude was niet uitzonderlijk gemakkelijk in de omgang. Dat was onfortuinlijk. Vooral dat je het zo goed merkte, dat hij zo weinig deed alsof. Of nee, dat was niet waar: de jongen was duidelijk aan het doen alsof. Doen alsof hij stoerder was dan hij was, doen alsof het hem allemaal minder raakte, doen alsof hij niet bang was en verdrietig en alleen. Doen alsof hij sterk was, en autonoom, in plaats van veroordeeld tot complete afhankelijkheid. Het wilde niet zo lukken, want hij had teveel moeite met het beheersen van zijn emoties, was in de kern nog steeds een boze puber, was nog niet zover als Armand was met het ‘polijsten’ van zijn ziel en zijn uiterlijke verschijning, maar hij probeerde het wel. En het was irritant, want het was niet alsof er niet al genoeg tussen hen in stond aan niet gedeeld maar wel vergelijkbaar verleden dat Jude nou per se nog extra muren tussen hen op moest beginnen te bouwen. Dat zou de communicatie tussen hen beiden weinig goed doen. Over Armands muren hadden we het hier niet. Die waren standard issue. En die merkte niemand, bovendien. Dat waren eerder bezweringen, die je even snel een andere kant op stuurden, totdat je alweer vergeten was wat je kwam doen. “Ik kwam hier voor m’n werk,” vertelde hij, summier maar ogenschijnlijk open. “In eerste instantie maar voor een paar maandjes, maar toen leerde ik mijn vrouw kennen, dus ben ik gebleven.” Helemaal waar, geen woord gelogen, bij lange na niet het complete verhaal. Dat hij nooit met iemand zou delen. Heel even vroeg hij zich af of het anders zou zijn geweest, als Jude anders was geweest, of hij iemand zou hebben gevonden die dichter bij zichzelf lag in plaats van iemand waarvoor hij op zo’n delicate manier toch wel bepaald moest zorgen... maar waarschijnlijk niet. Dat Armand z’n zaken niet deelde lag per slot van rekening niet aan anderen maar toch voornamelijk aan hem. “Ja hoor, hier maken we tijd voor.” En anders zou hij met een paar goed gemikte zilverstukken winkels heus wel wat langer open kunnen houden. Deuren gingen open met zijn naam; nog meer dan met zijn persoonlijke kwaliteiten. Oke... misschien niet nog meer... het ging gelijk op. Samengebundeld kreeg hij praktisch alles wel voor elkaar. Ah... Tot nog toe. Want zijn broer helpen om een geslaagd en gelukkig persoon te worden, dat zou wel eens de grootste uitdaging kunnen zijn tot zover. Moest hij smakken? Hij kon zich Thomasins gezicht nu al inbeelden. Hij nipte van zijn koffie. “Goed dat je verder wil op Zweinstein. Ik zal het in orde maken. En je schoolspullen is een standaard lijst, dat kunnen we gewoon allemaal bezorgen, dan heb je ze ruim voor de kerstvakantie over is. Posters, ook.” Hij nam nog een slokje, aarzelde onmerkbaar. “Je speelt gitaar? Toevallig.” Hij had het ook gedaan. “We doen eerst de gewaden, de rest bij het warenhuis, en dan kunnen we daarna naar de muziekwinkel door. Misschien wat leesboeken? Al mag je van mij ook altijd lenen. Zullen ook maar een uil voor je kopen. Wat voor muziek speel je graag?” Smak. Smak. Smak.
  10. Oh, wat was hij boos, en oh, wat zou het hem weinig helpen, maar op dit moment was er toch voornamelijk oprechte sympathie in Armands blik te ontwaren terwijl hij naar zijn vuisten ballende, tegen hekken schoppende plotselinge maar onmiskenbare broertje keek, en het was niet eens omdat hij deed alsof. Nu, voor vandaag, kon hij wel met Jude meeleven, kon hij wel geduld opbrengen voor die ontzettende, verschroeiende nijd. Maakte het nog niet zoveel uit in hoeverre Armand hem kon garanderen dat dat hem niet verder zou brengen. Want dit was niet wat mensen van je wilden zien, dit was niet waarvoor ze je zouden begrijpen, prijzen of waarderen. Ze zouden allemaal – althans in eerste instantie, althans het gros – medelijden met je hebben, want het was toch wel een sneu verhaal, en je was nog wel jong, en het was me toch erg. Maar uiteindelijk zou dat medelijden afzwakken, en het zou steeds minder sympathie worden en steeds meer met een lichte nasmaak van minachting. Stakker, was het woord dat die emotie het meest leek te beschrijven. Je was toch wel anders. En je was best lastig. En ze hadden het beste met je voor, maar... Armand deed dit dus nimmer, had dit ook nimmer gedaan. Niet met een ander erbij. In zijn familie werd hij al afdoende niet voor vol aangezien door zijn ouders en zijn leerachterstand en zijn verwilderde manieren, zonder ook nog eens puntenaftrek te scoren op woedemanagement. Hij was behulpzaam geweest, voorkomend, vastberaden om te leren. Vastberaden om de beste versie van zichzelf te worden, het hoogste haalbare... of althans om zo te lijken. Want ergens was het ook altijd wel aan hem blijven knagen dat dat negenjarige jongetje dat zijn zusjes niet uit hun wieg kon tillen omdat het net te hoog was nog steeds in hem zat, en dat hij daar nooit overheen zou groeien. “Er is nog meer familie. Het is een forse. Meeste takken in Canada – onze zusjes, Eloise en Cecilie heten ze, wonen bij een oom van ons in Edmonton, dan zit er nog een in Quebec, en nog een paar takken verderop bij de kust... En hier in Engeland, nu, Schotland eigenlijk, is er nog maar eentje over. Daar zal ik je wel aan voorstellen.” Met Kerst, waarschijnlijk. “Het is een oude magische familie.” Dat was toch wel iets om trots op te zijn. Ofzo. Ze Verdwijnselden naar de stad, en omdat hij Jude’s maag had horen knorren, nam hij hem maar eerst mee naar een café. “Bestel maar waar je zin in hebt... doen we dit eerst even, dan kunnen we meteen bedenken wat je naast gewaden nodig gaat hebben. Ik denk dat het het beste is als ik je op Zweinstein inschrijf? Of wil je liever dit halve jaar thuisblijven en komend schooljaar pas instromen?”
  11. Tja, eerlijk gezegd vond Armand de vergelijking tussen huisdieren en Dreuzels nog helemaal niet zo’n slechte. Op huisdieren kon je per slot van rekening ook oprecht dol zijn, nietwaar? En voordat iedereen over het duidelijke racisme in dat idee heen valt: Jude en hij waren opgegroeid in een klimaat waar Dreuzels hoogstens poppen waren, waar dat al het vriendelijkste was tenminste wat er over ze gedacht kon worden, bewegende poppen waarmee je leuke spelletjes kon doen maar die niet over het geheel genomen emoties hadden of pijn konden voelen waarmee je vervolgens rekening zou moeten houden. Ze voor minder waard aanzien dan tovenaars was bij de Foulkes-Davenports eigenlijk nog het vriendelijkste wat je ermee kon doen, of toch althans hetgeen wat tot de minst onvriendelijke reacties leidde. De ergste effecten werden er namelijk pas mee gesorteerd wanneer je ergens ook een beetje bang voor ze was. Voor hun besmetting, verloedering, of grote getalen... Desondanks was huisdieren een Thomasin-onvriendelijk antwoord en Armand wist nog niet genoeg van Jude om hem al iets dergelijks toe te vertrouwen en erop te rekenen dat dat niet bij zijn vrouw zou aanbelanden vervolgens. Niet dat hij wist of hij dat ooit wel zou doen. Om redenen die inmiddels misschien niet langer lastig waren om te raden was Armand niet bij uitstek goed van vertrouwen, of geneigd om zijn lot in de handen van anderen te leggen. Het had nooit goed voor hem uitgepakt. Hij was al niet helemaal comfortabel met hoeveel Thomasin er invloed op had. Maar dat was Thomasin... en als hij iemand kon vertrouwen, onvoorwaardelijk... dan was zij het. En overigens, ja, Jude maar meteen uit shoppen nemen was ook een tactiek. Een tactiek om zich kort te kunnen houden bij de beantwoording van alle vragen, een tactiek om zijn eigen geest af te leiden, en een tactiek om zijn broer wat beter te leren kennen. Want aan wat iemand nodig had, leerde je wat voor persoon het was. “Nee, ik bemoei me weinig met het landgoed,” zei hij met een glimlach, om vervolgens op zijn lip te bijten, te knikken, en zich te weerhouden van een hand op Jude’s schouder leggen. Daar was hij zelf ook nog niet aan toe. “Van mij zul je geen tegenspraak krijgen op dit punt,” gaf hij toe. Hij haatte zijn ouders zelf ook. Hij zou het niet zo gemakkelijk zeggen, want hij was geen zestien, geen boze puber meer, hij was zelfbeheersing in alles tenzij dat niet uitkwam op een beheerste wijze. Maar hij kon er niet anders over denken. Hij knikte, stond op, ging met Jude naar buiten naar de Verdwijnselplek. “Je hebt gelijk,” vertelde hij ondertussen. “Ik was niet naar school gegaan. Ze dachten... dat het beter was van niet. Ze zijn weggegaan toen ik negen was. De tweeling, je zussen, waren toen net geboren.” Omdat hij ook geen idioot was, vulde hij meteen maar verder aan. “Ze zeiden dat ze weggingen, omdat kinderen niks voor hen was. Om en nabij.” Wel wat gemener. “Ik had nooit gedacht... heb nooit geweten... Dat jij er nog zou zijn.” Hij slikte. “Goed... gewaden maar eerst?” Want Jude was zestien, dus z’n kleren waren permanent te kort. "We kunnen in de stad ook wel iets eten, als je wil."
  12. [1837/1838] Angry people are not always wise.

    “Ik zou ook nooit zeggen dat je Gabriel bewust in gevaar bracht, lief,” zei Armand met een glimlachje, en hij streelde over de rug van haar hand. Hij moest hier niet te hard in zijn, niet echt de ruzie opzoeken, al leek Daphne daartoe heel wel in staat. Maar het zou hem niet helpen. Hij wilde dat Thomasin Gabriel wat vaker thuisliet, of dat zij wat vaker thuisbleef met Gabriel. Hij wilde niet dat ze zichzelf een geheel nieuwe crisis aan zou praten omdat ze er inmiddels van overtuigd was dat ze geen goede moeder was. Daar werd niets beter op, want zo’n soort ellende leidde geenszins tot een positieve veranderende houding... maar bovendien en belangrijker, het zou haar pijn doen en dat, tja, dat wilde hij toch weer niet. Van iemand houden was geen reden om ze niet langer te manipuleren – ah, dat zou het moeten zijn, maar het weerhield Armand in elk geval niet – maar het beperkte wel je opties. Manipuleren, ja, des te meer, waar het dingen makkelijker maakte of verzachtte, maar dit... Dit bleek moeilijker vol te houden. Voelende dat er nood was aan een korte pauze in het gesprek, ging hij even Gabriel met de dinomobiel helpen – op de een of andere wijze had de jongen het ding compleet in elkaar verstrikt gekregen – en Daphne stond ook op. “Wel, ik zal maar weer even kijken hoe het er met het eten voorstaat,” glimlachte ze. Het was nog net niet ‘of het nog gered kan worden’ maar dat zat wel een beetje in de toon. Than humde naar Thomasin. “Is je crisis althans een beetje opgelost? Wat was er eigenlijk?” Want van de luttele momenten sans Daphne zou hij altijd gebruik maken om over werk te beginnen. Zonder veel drama konden ze naar de eettafel, waar de maaltijd er nog even lekker uitzag en rook als altijd. Na de benodigde complimentjes en beleefdheden – Gabriel had een klein stoeltje aan tafel, kindvriendelijk eten een een huiself om hem te helpen – glimlachte Armand Thomasin toe, ze aten onderwijl. “Je kunt ook wel wat vaker mijn hulp inroepen? Als je me ’s ochtends of de avond van tevoren vertelt waar Gabriel en jij naar toegaan, kan ik er rekening mee houden of je althans vertellen dat ik op een ander continent zit?”
  13. Armand herkende, vanzelfsprekend, Jude’s truc: vragen stellen aan een ander zodat je ze zelf niet hoefde te beantwoorden. Hij deed het niet slecht, maar kon nog wel wat verbeteren in finesse: als je er echt goed in was, merkten mensen niet langer de veradering van onderwerp, waren ze zelf al van plan geweest om iets te zeggen in de richting van je vraag en bevrijdde je hen als het ware van de woorden die al in hun hersens waren opgedoemd. Mensen hadden dan ook niet door dat je hun vragen ontweek; je liet ze niet ontevreden of nieuwsgierig achter, je antwoord leek volledig en leek niet te willen voorkomen dat er meer vragen gesteld zouden worden, want daar konden mensen altijd zo slecht tegen. Het was hoe Armand altijd een heleboel over anderen te weten kwam, en die anderen altijd het gevoel hadden dat dat wederzijds was al was het het nooit. Dat kwam niet door liegen, maar juist door heel open en eerlijk te zijn... of althans te lijken. Desondanks was hij erg blij om te horen dat Jude althans naar school was geweest. Al stak het ook – ja, het stak. Vanaf je vierde naar de kostschool... hij had een zoon van negen maanden, hij moest er niet aan denken om over drie jaar die al te moeten bonjouren en nog slechts twee keer per jaar te zien. En toch... toch hadden zijn ouders in deze ontegenzeggelijk meer gedaan voor Jude dan voor hem. Ze hadden hem thuisgehouden. Als hij naar school zou gaan, dan zouden mensen weten dat ze een kind hadden gekregen, en dat hadden zijn ouders niet gewild. Dan waren er mensen, familieleden, docenten misschien zelfs, geweest die zich met hen waren gaan bemoeien. Ze zouden zich hebben moeten verdedigen. Dat zou ze hun vrijheid hebben gekost en hun tijd, tijd louter en alleen voor elkaar. Dus hadden ze Armand weggestopt, deze connectie naar de wereld waarvoor ze geen geduld hadden. En hij was opgegroeid in een huis waar hij zich niet mocht laten zien. Hoewel hij Jude’s truc doorzag, had hij er geen bezwaren tegen zo direct om iets over zichzelf prijs te geven. Zijn vragen waren niets wat je niet uit een semi-grondige achtergrondsessie kon halen. “Ik ben getrouwd met de vrouw des huizes. Zij is weliswaar magisch, maar haar familie is ook van Dreuzelse adel – ze leven al eeuwen zo, zorgen voor de omgeving enzo. En voor de Dreuzels erin. Dus je kunt hier eigenlijk geen magie gebruiken, dat is wel goed om te weten.” Hij haalde een hand door zijn haar. “Ik ben achtentwintig. En ik ben blij te horen dat je naar school bent geweest – dan loop je niet zover achter – ik zal regelen dat je hier op Zweinstein verder kan?” Hij keek vlug even op zijn horloge. “Ik neem aan dat je nog aardig wat spullen nodig hebt? Wat Dreuzelkleren, maar misschien ook wat kleren uberhaupt, wat spullen voor op je kamer – ik hou van m’n vrouw, maar haar idee van inrichting is gedroogde lavendel... We kunnen ’t best even gaan voordat de winkels sluiten. Of ben je te moe?”
  14. Judicaël. In die naam zat alles: een pretentieuze Franse insteek, een hoogintellectueel met een hoge pet op van zichzelf, en een voornemen om het dit keer beter te doen. Alles wat Armand herkende behalve dat laatste. Nu ja... Hij wist niet wat zijn ouders van plan waren geweest, toen ze hem zijn naam gaven. Armand. Het was ook niet iets waar ze per se met de pet naar hadden gegooid, of althans, zo klonk het niet direct. De tweeling hadden ze geen namen gegeven. Dat had Armand gedaan, naar zijn favoriete verhalen. Voorzover hij wist namen z’n zusjes het hem bepaald niet kwalijk. Ze hadden hem nooit veel kwalijk genomen... al was het hen zwaar gevallen dat hij permanent in Engeland verbleef tegenwoordig. Hij vermoedde dat ze nog wel een keertje een jaartje zouden overkomen, misschien voor een jaar studie, ze hadden het er in elk geval over gehad en hij zou het graag voor hen faciliteren, al hield hij er ook wel van om hier... wat losser te zijn van zijn familie en zijn achtergrond. Hij was dol op zijn zusjes, maar dit was zijn heuse eigen nieuwe start. Nu ja, dat was nu toch niet langer. “Oké, Jude,” knikte hij, en hij nam een slok van zijn koffie, bekeek de jongen even aandachtig maar niet zo lang dat het hem ongemakkelijk zou doen voelen, liet nog altijd niets blijken van de wervelwind, de ellende in zijn hoofd toen de arme jongen de woorden moest spreken die hij al vanaf het begin, het allereerste moment dat hij Jude zag had zien aankomen. Eigenlijk, besefte hij zich, had hij hem voor moeten zijn. Eigenlijk had hij hem niet moeten dwingen om dit expliciet te maken. Hij herinnerde zich nog hoe moeilijk het was geweest om te zeggen... op de vloer in de veel te chique, veel te schone woonkamer van zijn oom met zijn haren in de war en zijn kleren zo netjes als een negenjarige die niet bij de bovenste kastjes kon ze kon maken, opkijkend naar Thurion Foulkes-Davenport die mild verbaasd naar hem staarde... Hij had dat Jude kunnen besparen. Maar hij was niet snel genoeg geweest. Hij had zichzelf onder controle... maar niet zo goed als normaal. Hij wuifde geïrriteerd naar de brief. Zijn ogen werden erheen getrokken, de neiging om hem open te doen, om te kijken, naar de woorden van zijn ouders, de eersten in twintig jaar, de eersten waarin ze hem weer noemden in die twintig jaar, was haast onweerstaanbaar maar hij weerstond het, juist omdat hij het zo graag wou, omdat hij het zo graag wou en omdat hij daar zo hopeloos van werd. Want wat verwachtte hij nou helemaal? Ga naar je lieve broer Armand die we missen en zeg hem dat het ons speet? Psah. “Ik hoef het niet te lezen. Ik neem jou liever op je woord, dan onze ouders,” sprak hij, lichtjes doch gedecideerd. “Vanzelfsprekend ben je hier welkom. We zullen een kamer voor je klaarmaken. Um...” De dagen alleen, het staren naar de boeken wiens pagina’s raadsels voor hem bleven, de jaren en jaren inhalen totdat hij omviel van vermoeidheid, de cijfers tollend in zijn hoofd... “Ging je naar school?”
  15. Zodra Armand zijn evenbeeld in zijn woonkamer zag staan, wist hij wat er was gebeurd. Of nu ja, hij wist het niet, hij begreep het niet, maar het withete ijs dat in zijn maag landde vertelde hem emotioneel alles wat zijn ratio nog niet had kunnen bevatten in die oogopslag. Heel even het idee dat het zijn zoon was - met magie wist je het nooit en het was hoe hij zich voorstelde dat Gabriel op zou groeien - heel even de gedachte dat hij het zelf zou kunnen zijn maar in feite waren dat allemaal ontwijkingsmanoeuvres voor de waarheid en de waarheid viel voor Armand nooit bij weg te komen. Dat was dat zijn ouders wel uit zijn leven waren verdwenen, maar hem niet los hadden gelaten, nooit helemaal zouden doen en dat hij altijd nog had verwacht, ergens, dat hij weer iets van ze zou horen. Misschien had hij de hoop gehad dat het iets goeds zou zijn, een spijtbetuiging of een teken van berouw of toch verdriet... maar vooral had hij vermoed dat hij eens geconfronteerd zou worden met een catastrofale fout. Et voila. Een kind. Ze hadden nog een kind gekregen. En het stond nu in zijn salon, met een plunjezak. “M’n zoon,” sprak hij, terwijl de woede en de pijn en het medelijden en de jaloezie, de onverklaarbare, onverdedigbare jaloezie dat ze bij deze jongen tot de tienerjaren waren gekomen voordat ze er de brui aan gaven inslikte in een open glimlach, al beukte het tegen zijn borst, maakte het hem actief misselijk op dit punt... “Gabriel. Hij is bijna negen maanden.” Hij nam plaats op de bank, wachtte tot de koffie hen werd gebracht, ging pas verder toen Roosje hen weer had verlaten en niet meer per ongeluk iets op kon vangen van het gesprek, want het zou magisch zijn en raar en ook te beschamend, voor deze jongen en voor Armand ook want hij werd niet graag herinnerd aan zijn ouders. Hun ouders. Hij had hier een leven. Gelukkig. Perfect. Hij was eindelijk geworden wie hij had kunnen zijn en nu, net als toen, kwamen zijn ouders het hem moeilijker maken. Hem weer op achterstand zetten. Dat sneue jongetje met de sneue familiesituatie. “Hoe heet je? Ik ben Armand.”
×