Jump to content

Richard Ingram

Zwadderich Zevendejaars
  • Content count

    83
  • Joined

  • Last visited

  • Days Won

    1

Richard Ingram last won the day on November 28 2017

Richard Ingram had the most liked content!

About Richard Ingram

Profile Fields

Recent Profile Visitors

505 profile views
  1. [1838/1839] Running up that hill

    Wat was er mis met hem? Een hoop. Richard kon zich niet herinneren dat hij zich ooit volledig gebrekvrij had gevoeld, immer dat vagelijke besef dat er toch iets anders was aan hem. Iets verkeerds. Al was het maar een naad die los zat, iets, iets, iets. Als het hem niet op een verveelde zomerdag was opgevallen, had hij het nooit gezien, misschien, maar nu verliet het idee zijn gedachten nooit. Wat had hij om zo kutarrogant over te doen? In theorie: betrekkelijk veel. Hij had meer geld en status dan Tabitha Fox, zowel in de buitenwereld als binnen de muren van Zweinstein (hij was eenvoudig te vergeten, maar Tabitha had geen reputatie om u tegen te zeggen en soms, soms, soms was niet veel beter dan veel), hij had de eenvoudige keuze om haar niet op zijn schoot te willen, of zij daar nu wilde zijn of niet, hij had de eenvoudige waarheid in zich dat hij niet van háár hield en daarmee uit. Wat was er mis met hem? Wat had hij om kutarrogant over te doen? Een gebrek aan liefde voor haar. ’t Had zijn voor- en nadelen. ‘Wat is er mis met míj?’ herhaalde hij, echter, gefrustreerd. Hij had de gedachten wel, de redenering, maar hij kon het niet omzetten in een stroom van woorden die iemand begrijpen zou. Kon hij nooit. ‘Jíj komt me zomaar bespringen!’ Was dat niet verkeerd? Snapte ze dat niet? Of was hij overmatig dramatisch? Hij had het idee dat liefste nonkel Leon zijn probleem evenmin zou begrijpen. ‘Ga bij iemand zeuren die op je zit te wachten.’
  2. [1838/1839] All paths lead to drunkenness

    Richard haatte vanavond, besloot hij. Hij was Leon Marks niet, hij had zijn aantrekkingskracht niet, hij was niet het type dat alleen maar een ruimte hoefde binnen te wandelen om alle aandacht te krijgen, hij was verdomme gewoon niet zo. Zo eenvoudig was dat. Niets meer en niets minder. Leon mocht hem zielig vinden als hij daar zin in had, mocht op hem neerkijken (wie deed dat niet tegenwoordig? Hij was het zo beu), maar dat mocht hij doen zonder dat híj er last van had. Waarom zou hij ooit nog meegaan met zijn nonkel ‘s avonds? Dit gaf gewoon nog een deuk op zijn allang geblutste zelfbeeld. Hij hoorde de meisjes wel in discussie gaan, hij hoorde de verloofde ruzie maken met zijn liefste, maar bovenal hoorde hij dat sadistisch vernederende stemmetje in zijn hoofd dat hem opgewekt meldde dat elke ongemakkelijke angst die hij bij voorbaat had gehad gelijk had gehad. Kijk toch! Dit was zijn ding niet, dat zou het ook nooit zijn, jamais, en hij moest er maar mee leren leven. Zonder nog een woord te zeggen draaide hij zich om en verliet hij de club. Wat hád hij verdomme aan dit gedoe? Het enige wat hij tot nu toe wijzer was, was dat iedereen zijn nonkel wilde en niemand hem en verdomme, hij had al wel zo zijn vermoedens gehad. OOC: Uitgeschreven! <3
  3. [1838/1839] Handmade Heaven

    Ja, was Richard niet schattig? Onschuldig? Hij was alles wat Leon niet in hem wilde zien, had hij zo het idee, en het was zo vreselijk zenuwslopend om daarvan op de hoogte te zijn. Richard was op zijn best ergens op de achtergrond, de hoek bezettend; hij was het type niet dat iedereen kon overtuigen van hoe geweldig hij wel niet was, hij was het type dat fungeerde als publiek. Zo ook bij Christa Rose, die zo elegant haar hand naar hem uitstak. Maar voor haar wilde hij publiek zijn, echt, ze was het type dat de zon als spotlight zou moeten hebben (en alleen zij, al was het een caveat die hij zelf niet nodig had, ze was de enige die bestond, de enige die de zonnestralen voelen kon (hijzelf was te gebiologeerd door haar om ze te voelen, om überhaupt te beseffen dat de maan uren geleden al het podium betreden had) en voor een keer had hij het gevoel dat zijn aard passend was. ‘Oh, nee, ik denk niet dat we elkaar eerder hebben ontmoet…’ Ongetwijfeld waren ze weleens in dezelfde kamer geweest, maar ah, Richard kon over het algemeen niet naar een prostituee kijken zonder te blozen en dus had hij een ontmoeting als dit wijselijk vermeden – maar kijk, dat ging niet op als de liefdesdrank in zijn systeem hem in het oor fluisterde dat dit mogelijkerwijze de vrouw van zijn leven was. ‘Ik ben Richard Ingram,’ stelde hij zichzelf snel voor, maar hij wilde het helemaal niet over zichzelf hebben, hij wilde het over háár hebben. ‘En jij?’ Als zij tutoyeerde, mocht hij dat vast ook… ‘Toch raar dat ik je niet eerder heb gezien.’ Want hoe in vredesnaam? Ze was het stralende middelpunt van dit feest!
  4. [1838/1839] Running up that hill

    In alle eerlijkheid, Richard was slecht in boos blijven. Hij voelde zich er niet goed bij, vond het ongemakkelijk om tegen iemand te gaan roepen, ondanks al het innerlijk getier (zijn hoofd kon stormen herbergen die hun ijselijke mond hielden zodra er een zuchtje buitenwereld om de hoek kwam piepen), ondanks alles waaraan hij zich in alle stilte aan ergerde, ondanks zijn onvermogen het moreel kompas van de ander te begrijpen. Zo ook bij Tabitha. Ze was zo vreselijk enthousiast omwille van zijn bestaan, scheen zo dol op hem te zijn, was zo snel op zijn schoot geklommen en nu keek ze al zo liefjes in zijn ogen en liet ze allerlei schone woorden weerklinken, alsof de chantage niets betekend had, alsof het allemaal prima was, alsof, alsof, alsof. Hij wist niet of het voor haar ook alsof was. Ze leek vrij oprecht. Maar dat maakte het allemaal nog tien keer ingewikkelder. Hij was niet per se van plan geweest om Tabitha hiervan op de hoogte te stellen, van het feit dat hij haar voor geen meter kon volgen en dat hij haar vriendelijk van zich af wilde duwen en naar bed gaan, naar goede gewoonte alles compleet negerend (hij deed nu wel moeilijk over het chanteergedoe, maar zo lastig was het nu ook weer niet geweest om te vergeten dat hij gechanteerd werd als Aviana hem gekust had), maar toen kuste ze hem. Goh. Hij duwde haar van zich af, hardhandiger dan hij gepland had, en een tel lang staarde hij haar aan, niet goed wetend wat ze in vredesnaam probeerde te doen. ‘Kan je dat ook níét doen?’
  5. [1838/1839] Running up that hill

    Ja, oké, top, ze had weleens meer gedronken, maar dat nam niet weg dat hij nu een zatte Tabitha op zijn schoot had die zat te brabbelen over dat ze leuk was en dat hij ook van haar moest houden. Hij registreerde nauwelijks dat ze het had over wederkerige gevoelens, maar nu ja, zelfs als hij het helemaal doorhad en daar de benodigde hersencellen voor zou hebben, vertrouwde hij geen woord dat er uit haar dronken mond rolde. Zo was hij gewoon. Hij ging de godganse tijd om met de beschonken onderlaag van de persoonlijkheden in zijn leven en zelden, zelden kon hij enig inzicht in hun monologen ontwaren. ‘Je chanteerde me,’ mopperde hij, alsnog, bij haar vraag. In zijn hoofd had het diplomatieker geklonken, maar goed, hij was nu ook weer niet volledig nuchter, dus… dan mocht het? ‘Ik had niet veel gelegenheid om van je te houden, goed?’ Hmmm, hij kon echt beter verwoorden binnen de veilige muren van zijn stom hoofd. Ach ja. Zíj was hier op zijn schoot gesprongen. Ah, dat was geen vrijgeleide, niet echt, maar zoveel was dat niet en ergens had hij geen zin om erop te letten. Tabitha was zo verdomde onmogelijk om te categoriseren, het meisje dat met iedereen naar bed ging, maar tegelijkertijd wel het eerste meisje was geweest met wie hij überhaupt iets seksueels gedaan had, het meisje dat hem chanteerde, het meisje dat zo overstuur raakte omwille van op het eerste zicht onschuldige verzoekjes… En nu het meisje op zijn schoot, dat bijna eiste dat hij van haar hield. Richard was slecht in de persoon zijn van wie mensen eisten dat hij hem was. Dat merkte hij bij Leon, maar nu des te meer bij Tabitha. Oeps? ‘Wat wil je?’
  6. [1838/1839] Running up that hill

    Het was niet zo raar als Richard niet wist wat hij hiermee aanmoest, toch? Dit was een meisje dat hij al máánden niet meer gesproken had dat uit het niets op zijn schoot was gesprongen en hem toesprak alsof ze de liefde van elkaars leven waren. Waren ze dat? Richard zou de liefde niet herkennen als het voor zijn neus stond, interesse al evenmin, maar nu het op zijn schoot zat, moesten zijn roestige hersencellen in actie schieten om hem de hint door te spelen dat Tabitha Fox hem misschien aardiger vond dan chantage had doen uitschijnen. Nu zorgde dat besef op zich niet per se voor meer begrip, want waar Aviana weleens op zijn schoot had gezeten, zo nu en dan, had ze het nooit zo gedaan en ze had al helemaal nooit verzucht over hoe alles wel niet goed was omdat ze nu bij hem was. Dat… had niemand ooit gezegd, eigenlijk. Wat zei je er in vredesnaam op? Bedankt? ‘Ik denk,’ zei hij, koppig de verwarde blos die zijn wangen bereikte negerend, ‘dat jij teveel op hebt.’ Dat was vast de reden dat ze zo deed – gewoon de eerste de beste die ze tegenkwam om aan te hangen. ’t Was niet alsof Tabitha goed was in alleen zijn. ‘Wel lief, hoor.’
  7. [1838/1839] Handmade Heaven

    28 september 1838 Er waren meer mensen aanwezig op deze gelegenheid dan Richard zou kunnen tellen. Voor een deel mensen die hij kende, voor een deel ook niet, maar het maakte ook niet zoveel uit. Door de pseudo-Korinthische zuilen die het feest met Romeins thema (of dat dacht hij, in ieder geval, maar op den duur begon alles wel op elkaar te lijken) omlijstten, had hij haar gezien. Blond, zoals elke engel in door connaisseurs geprezen schilderijen, een lach die hij niet had kunnen horen, enkel had kunnen zien, maar dat alleen al was verblindend geweest, een lichaam dat even in schaduwen verhuld werd als koket getoond, een combinatie die hem meteen, ondanks de paar brokken schroom die hij nog over had, allerlei dromen toegefluisterd had. Het glas champagne in zijn hand was gevaarlijk schuin gaan hangen zodra zijn ogen op haar gevallen waren, met een plasje op de grond tot gevolg. Maar heel eerlijk? Nu nog was het hem niet opgevallen. Haar in zich opnemen vereiste zijn volledige breincapaciteit. Zonder er acht op te slaan verliet hij het plasje op de vloer en bijna vergeten dat er nog iemand anders in de zaal was stapte hij op haar af. De zaal was vormgegeven naar een agora, iets met open discussie promoten, maar Richard kon zich niet herinneren dat er tot nu toe iets anders was verlopen dan normaal, enkel dezelfde smalltalk als altijd, dezelfde gesprekken over de politiek en de economie als altijd, dezelfde mensen die te vroeg op de avond dronken werden en dezelfde mensen die hun neus ervoor ophaalden. Het enige verschil was zíj, dartele muze die ze was. Of was muze te min? Nimf? Godin? Richard was niet goed in dit soort dingen determineren. Hij leefde met één oog op de handleiding gericht en het andere op de grond. Hallo, oefende hij in zijn hoofd, op weg naar haar. Halverwege nam hij nog een slok van de champagne die hem zo vluchtig in handen gedrukt was, zoetere schuimwijn dan hij gewend was, maar dat maakte allemaal niet uit — hij wilde weten of zij even zoet smaakte als hij zichzelf inbeeldde bij haar feeërieke verschijning. Eenmaal in haar buurt liet hij zijn bijna lege glas achter op een willekeurig tafeltje en verleende hij haar zijn vriendelijkste glimlach. Nonkel Leon scheen het als een zwakte te zien om te gretig te zijn, te duidelijk onder de indruk te zijn van een vrouw, maar hij kon zich niet voorstellen dat hij ooit háár gezien had. ‘Hallo,’ vroeg hij haar om aandacht, smeekte haast. ‘Ik… U bent beeldschoon. Weet u dat?’ Zo nee zou hij het haar vertellen, opnieuw en opnieuw, totdat een chorus het achteloos zingen kon. OOC: Privé met Gianna! <3
  8. [1838/1839] All paths lead to drunkenness

    Oké. Dit was beschamend. En Richard haatte zijn nonkel voor een moment voor hoe onsubtiel hij was over hoe slecht hij het deed, haatte dat meisje, haatte de vriendin die ze erbij haalde die ze ongetwijfeld alles allang verteld had, haatte hier zijn, haatte uitgaan en de datewereld, haatte al dit gedoe. Wat was er mis met hoe hij het nu deed? Wat was er mis met uitgaan met vrienden en stomdronken en/of high worden en onderling stomme dingen uithalen? Wat was er mis met hier en daar een puppyachtige verliefdheid ontwikkelen op een meisje dat veel beter krijgen kon dan hij? Waarom zou hij al deze moeite doen? Hij zou uiteindelijk echt wel aan een vrouwke geraken (“heel net en genereus”) – was dit echt nodig? Maar goed, de vriendin stond nu al voor zijn neus en dus glimlachte hij maar wat, bood haar wat te drinken aan en eenmaal dat gearrangeerd keek hij even nerveus om zich heen. Leon had… duidelijk nergens last van (ergens benijdde hij dat, die flair waarmee zijn nonkel doorheen het leven schreed, hoe iedereen aan zijn lippen hing en hoe elke vrouw hem wilde zonder dat hij er verdomme ook maar iets voor hoefde te doen, terwijl Richard nauwelijks wist hoe hij buiten zijn eigen sociale bubbel een gesprek moest onderhouden), maar hij wilde het niet zien ook. Hij zette zich wat uit Leons buurt, begon een gesprek vol smalltalk (Zweinstein en haar universitaire opleiding, dit jaar begonnen, heelkunde, ze begon al dromerig over dromen van kinds af aan en ergens keek hij haar verwonderd aan, verrast dat mensen zo lang aan kinderdromen konden vasthouden, ze vertelde dat ze liever ergens anders kwam, maar haar vriendin (die, ja, op Leons schoot zat) wilde liever naar hier wegens de VIP-ruimte (de rien, dacht hij in zichzelf) en nog wat situationele onzin), maar het kwam er allemaal op neer dat ze uiteindelijk over een verloofde begon en oh, ja, nu stond die hier. Hij keek een beetje ongemakkelijk naar meneer. Keek vervolgens naar zijn nonkel. Dat meisje was vast ont-zet-tend leuk, maar help, oké. Hij durfde niet uit te spreken dat hij absoluut niets met mejuffrouw gedaan had, of het nu de wereld was of niet, puur omdat hij dat niet wilde uitspreken naast zijn nonkel. Dat leek zo… zielig nu. Maar Richard voelde zich wel vaker zielig naast nonkel Leon.
  9. [1838/1839] Running up that hill

    Kijk, het was niet zo dat Richard echt niet meer wist wie Tabitha Fox was. Het was evenmin zo dat hij compleet vergeten was waar ze hem zoal toe gedwongen had, maar het was wél zo dat Tabby eigenlijk niet zo erg opviel in de massa op Zweinstein, dat Richard zelf evenzeer verre van nuchter was en al helemaal dat hij sowieso niet altijd de handigste dingen zei. Als hij zijn nonkel trots zou willen maken, moest hij nu vast wat onzin uithalen die maken zou dat het meisje dat zo ongevraagd op zijn schoot was beland zich nog dichter tegen hem aan kwam nestelen, iets dat haar tevreden zou houden en alles, maar… ja. Ten eerste hoefde hij duidelijk niets meer te doen voor ze op het door Leon Marks gegeerde stadium kwam. Ten tweede gingen de adviezen van zijn nonkel sowieso een beetje het ene oor in en het andere weer uit. En ten derde staarde hij Tabitha Fox vooral een beetje verbluft aan toen ze begon over hun kinderen en van hem houden en toen ze hem kuste, net alsof hij haar zonet ten huwelijk gevraagd had. Uit reflex had hij zijn armen wel om haar heen geslagen, om dat wankele meisje niet te laten vallen, maar… ‘Huh?’ In haar gezicht zocht hij naar een verklaring. ‘Is alles goed met je?’
  10. [1838/1839] All paths lead to drunkenness

    Ze was mooi. Zo vanaf hier had hij het wel gezien – maar waren de meesten dat niet sowieso? Vrouwen hadden hun beste beentje voorzetten tot een kunst verheven op manieren die Richard zo vaak eigenlijk niet begreep, maar die hij wel apprecieerde. Vanop een afstandje, Leon. Afstand was fijn, afstand was comfortabel, afstand zorgde voor geen chantage en geen gebroken harten, geen scènes in het midden van de Grote Zaal, niemand die hem nakeek om het drama dat hij geschopt had. Afstand was achtergrondgeluid kunnen zijn en God, ja, het was een leven waar niemand van op zou kijken, iets dat niemand hem na zou willen doen, maar dat had hij verdomme ook nooit nodig gehad. Waarom was dat zo moeilijk voor mensen om te begrijpen? Of nee. Waarom was dat zo moeilijk voor zijn liefste nonkel om dat te begrijpen? Hij wilde de zenuwen niet voelen van niet weten hoe hij dit in vredesnaam zou moeten aanpakken. Maar hij knikte, zoals zijn nonkel hem zei te doen, en voor hij het wist, stond ze bij hem. Goh. Hij wierp één zijdelingse blik op zijn nonkel, voor hij zich iets van hem afwendde – een eerste kennismakingsgesprek voeren met hem als vijfde wiel aan de wagen voelde zo… raar – om te informeren naar haar naam. En hij kon heus wel een licht moeizaam gesprekje met haar hebben over saaie koetjes en kalfjes, voor hij doorhad dat ze eigenlijk niet naar hem keek en wel naar zijn nonkel. ‘Waarom stel je ons niet even aan elkaar voor?’ Eh.
  11. [1838/1839] All paths lead to drunkenness

    Hóé had hij dat moeten zien? Richard was nóóit het middelpunt van belangstelling geweest (nu ja, misschien als hij er meer aan gewend was geraakt, was hij nooit in de situaties verzeild geraakt waarin hij het afgelopen jaar gesukkeld was, had hij beter geweten hoe hij met dat soort dingen om moest gaan, wist hij veel) en zo ineens bleek dat hij op een bepaalde plek moest gaan zitten en dan plots keek iedereen naar hem? Dat klonk niet eens echt. Maar dat was het wel, schijnbaar. Kijk eens aan. Hij deed de moeite niet om echt te antwoorden, niets anders dan een sceptische ‘Als jij het zegt…’, keek om zich heen, deels om iemand te zoeken van wie hij dacht dat zijn nonkel erachter zou staan, deels om juist meer iemand te zoeken van wie hij dacht dat die hem niet straal zou negeren of keihard zou gaan uitlachen. Moeilijk evenwicht, bedacht hij, al zou het dat niet voor iedereen zijn. Maar Richard deed niet echt aan meisjes benaderen, hij benaderde toevallig één keer de verkeerde voor wat hulp bij een ander en werd dan in een fragiele constructie geforceerd die zijn eigen lafheid voornamelijk in stand hield. Dit, dit was iets compleet anders. Vanuit zijn ooghoek probeerde hij te bedenken wat zijn nonkel hier precies van dacht, wat hij van hem vond, vlak vooraleer hij bedacht dat hij het háátte om zich dat constant af te vragen. Het was zo verdomde vermoeiend en hij zou hier niet met zijn nonkel zijn als die hem niet een beetje zielig vond, dus wat boeide het zelfs… Oké, dat was een verbazingwekkend slechte vraag om te stellen als je toch alleen maar zenuwachtig werd van de idee dat je een achterstand had van hier tot in Tokio en dus bestelde hij dat drankje maar voor één of ander meisje dat hem ongeveer zijn leeftijd leek, hoewel hij haar naar zijn geheugen niet van op Zweinstein herkende, en hem niet het type leek dat het ding in zijn gezicht zou smijten. Zoveel dat je kon afleiden uit één blik op haar gezicht. ‘En nu?’ informeerde hij, terugkerend bij zijn nonkel. Was hij dom? Op dit vlak, ja. Maar… ach, ’t was niet alsof Leon iets anders van hem verwachtte op dit vlak nu. ‘Is dit echt hoe jij je tijd spendeert?’
  12. [1838/1839] All paths lead to drunkenness

    Nee, Richard had nooit zo meegekregen dat hij tien keer beter was dan een ander om zijn achternaam. Nu ja, in theorie wel; hij had weleens gehoord dat het beter was om een Ingram te zijn dan om het crapuul op straat te zijn, maar nooit zo… specifiek en recht voor de raap als zijn waarde nonkel Leon dat deed. Had er nooit zo intens over nagedacht, dat ook. Op Zweinstein was het gemakkelijk om te merken dat je net iets mooier afgewerkte kleren droeg, dat je niet grimaste als het jouw beurt was om de benodigde alcohol in te slaan, maar het was net zo gemakkelijk om dat allemaal te vergeten. Om dat duur hart van je te verpanden aan een meisje uit de middenklasse en je waardigheid aan het oplettend oog van een ander. Bij nonkel Leon was het een stuk moeilijker. Gewoon. Hij was nog niet veel uitgeweest met andere mensen dan zijn vrienden van Zweinstein, dus eerder had hij nooit zo ervaren dat hij met de welluidende Ingram achteraan genoeg benen kon spreiden. Hij kwam er sowieso niet veel voor uit, maar nu durfde hij al helemaal niet te vermelden dat hij nog nooit echt had geprobeerd om iemands benen te spreiden. Op Aviana had hij nooit veel druk willen uitoefenen, dus… dat. Was dat verkeerd geweest van hem? Hij keek om zich heen, naar de club van Valentine en probeerde te zien waar Leon het in vredesnaam over had. Ja, prima, er waren heus wel wat mensen die net als hij zoekend om zich heen keken, maar hij dacht écht niet dat dat was omdat ze op zoek waren naar een dosis galjoenen om nat van te worden. Of was dat naïef? Miste hij gewoon iedereen die gelijk bijen op zoek naar nectar aangetrokken was door het geld dat op zijn bankrekening stond te verstoffen? ‘Over wíé heb je het?’ informeerde hij, terwijl hij de gepoogde subtiliteit liet varen om te zien of hij effectief blind was of Leon uit zijn nek kletste. Op zich zag hij het hem nog wel doen. ‘Niemand kijkt toch naar ons?’ Beter, hoor, anders voelde hij zich ook maar bekeken. Toen Leons laatste woorden doordrongen, fronste hij. ‘Hoe ga je dát doen? Je portemonnee aan iedereen laten zien?’ Pffft.
  13. [1837/1838] Do we ever grow

    Richard keek een tel lang naar het glas voor zijn neus. Hij moest losser worden, jongen. Hij proefde de woorden op zijn tong voor zijn hersenen ze echt hadden kunnen verwerken, testte ze, stuurde ze door elke ingebouwde filter die hij ooit besteld had om het disfunctioneel gestel van een mens dat hij was te kunnen besturen zonder dat iedereen te weten kwam hoe het zat, hoe het écht zat. Alles flitste door hem heen, zijn kleptomanie en zijn schaamte daaromtrent, de introversie en zijn behoefte dat te verhullen, overal bij te zijn totdat hij het godverlaten universum haatte om elk geluid dat hij ooit gehoord had (hij herinnerde zich, even, heel even, niet meer dan een tel, de behoefte om alles om zich heen te vervloeken totdat het enige wat hij bemerken kon zijn eigen wezen was de laatste keer dat hij niet tijdig had gemerkt dat hij moe was geweest van het getater en niet van het gebrek aan slaap door bewogen avonden en eeuwigdurende nachten), de ingehouden woede om een half en half onwillige gevangene te zijn in Tabitha’s web van giechelende chantage door een ondoordachte vraag en de onverschilligheid die langdurende woede zo vaak verving. Die herhaalde vragen wat er eigenlijk mis met hem was dat hij niet zoals elk ander was, of elk ander zoals hij ze zag. Óf er iets mis was, had hij allang beantwoord, tenslotte. ‘Prima,’ mompelde hij, meer omdat duidelijk praten onderhand een moeilijkheid was geworden en minder omdat hij zo graag wilde mompelen. Het glas omhoog heffend richting zijn dorstige tong keek hij nog een keer naar zijn nonkel, en vroeg hij zich voor de zoveelste keer af waarom hij verdomme nooit zó was geweest. Met meer frustratie dan bij zijn vrienden, merkte hij. Als het in de familie zat, was het binnen handbereik geweest, niet dan? Had hij dan niet gewoon de pech gehad om de persoon te zijn die hij geworden was? Met al zijn ingehouden neuroses en zijn patroon van leugens en zijn onverbiddelijke behoefte om iemand te zijn die hij niet kon zijn? ‘Is vast leuk.’ Hij dacht niet dat zijn nonkel ooit iets deed wat hij niet leuk vond. ‘Gewoon wij twee of neem je nog iemand mee die losser moet worden?’
  14. [1837/1838] Do we ever grow

    Uitgaan. Met zijn nonkel. Die getrouwd was. En tig bastaarden had. En de dertig gepasseerd was. Richard keek zijn nonkel sceptisch aan, speurend naar het verholen medelijden dat dat voorstel geïnspireerd had. Was hij zo erg dat Leon er maar vanuit ging dat híj zijn zielig neefje bezig moest gaan houden, om hem nog enigszins de wereld in te trekken? Nu ja, Leon had hem nooit echt het filantropische type geleken, je weet wel, iets te druk bezig met de juiste whiskey uitzoeken en vrouwen naar zich toe lokken op een tempo waar Richard alleen maar met verbazing naar kon kijken (??? Hij moest in een relatie gechanteerd worden vooraleer het meisje van zijn stiekeme dromen überhaupt naar hem kéék) en, wist hij veel, waar Leon zich zoal mee bezighield als hij niet bezig was met Richard vrolijk het gevoel te geven dat het etiket Maagd™ op zijn voorhoofd geschreven stond. ‘Huh, waarom?’ Wacht, nee, dat klonk verkeerd. Haastig verbeterde hij zichzelf. ‘Ik bedoel, ja, zullen we doen, ik kan weleens in het weekend ergens naartoe of zo, hangt ervan af wanneer jij tijd hebt natuurlijk en zo, is logisch, maar waarom eigenlijk?’ Wauw. Dat was niet veel beter.
  15. [1837/1838] We don't need this fantasy

    Richard had er eigenlijk niet eerder bij stilgestaan dat wat hij van Tabitha moest zeggen, waar zou zijn. Waarom zou hij, immers? Het was een grotesk, enigszins weerzinwekkend idee, en dat paste wel bij Tabitha’s verbeelding, had hij de afgelopen tijd ontdekt, maar kijk! Aviana excuseerde zich! Alleen maar dat. Ze vroeg niet hoe hij erachter was gekomen, ze verdedigde zich niet, ze zei alleen maar sorry aan een stilgevallen tafel omringd door nieuwsgierige ogen. Dat op zich was genoeg, niet? Je ging niet verder na iets als dit, niet echt, je incasseerde de spijt, geveinsd of niet, en de repercussies van die beleefde betuiging van schuld en dat was dan dat. Simpel. Richard had de dingen graag simpel. Hij maakte ze zelf altijd moeilijker dan moest zijn, maar dit was zo verdomde gemakkelijk dat hij bijna aan Tabitha zou vragen om de rest ook te regelen. ‘Het spijt je,’ herhaalde hij, zijn vingers op zijn dijbeen trommelend. Hij kon het hier niet al afsluiten, maar ergens wilde hij dat wel graag. Hij hield niet van ieders blik op hem, hij hield niet van al die aandacht; hij was op zijn best in kleine groepen en de atmosfeer die daarmee gepaard ging, maar hij was dit begonnen, uiteindelijk, in al zijn onvoorzichtigheid en hypocriete hybris. ‘Oh, natúúrlijk spijt het je! Niet genoeg om het niet gedaan te hebben, helaas. Of om eerlijk te zijn. Of wat dan ook.’ Zijn ogen flikkerden naar Tabitha, razendsnel, zonder dat hij echt wist waarom. ’t Was niet alsof er iets uit haar gezicht af te leiden viel. ‘Wat héb ik aan spijt, Aviana?’
×