Jump to content

Richard Ingram

Zwadderich Zevendejaars
  • Content count

    86
  • Joined

  • Last visited

  • Days Won

    1

Richard Ingram last won the day on November 28 2017

Richard Ingram had the most liked content!

About Richard Ingram

Profile Fields

Recent Profile Visitors

575 profile views
  1. [1838/1839] #9 Richard & Leon

    Eh. Mja. Richard kon overal nerveus van worden, dat was zijn aard nu eenmaal, dus daar hoefde zijn liefste nonkel zich niet al te zeer op vast te pinnen wat hem betrof. Maar goed, hij had een masker voor zijn smoel, twee shotjes door zijn strot gekapt en een slag op zijn achterste die iets harder aankwam dan hij aanvankelijk verwacht had. Ergens was hij verbaasd dat hij zich daarover verbaasde: Leon Marks leek hem precies het type dat altijd hard sloeg. Hij wist niet exact hoe Leon in een echt gevecht was, betwijfelde, ergens, of hij zijn handen zou vuilmaken, maar op konten slaan? Nee, dat deed zijn nonkel niet half. Hij zei geen woord tegen Leon voor hij hem verliet en eerst nog een glas champagne weggriste voor hij het aandurfde om met iemand te praten. Nu ja. Het praten zelf was geen drama: waar zijn teruggetrokken karakter moeilijk uit te vegen was, was hij nog altijd opgegroeid als Ingram en dus was dit niets nieuws. Maar het praten zoals nonkel Leon nodig vond… Nee, dat was en bleef nog altijd nóg een masker voor zijn gezicht dragen. Hij voelde zich altijd vreemd zichtbaar als hij het probeerde. Alsof de vrouw tegenover hem elke zorg zag en elk ongemak kon lezen zonder er überhaupt moeite voor te moeten doen. Het maakte het niet gemakkelijker. Hij vond iemand die hij niet herkende en wiens accent niet Engels klonk, in de aanname dat dat gemakkelijker was. Wist hij veel. Hij vond dit nooit gemakkelijk, kende nooit de formules om interessant te lijken, wist nooit hoe hij die balans tussen mysterie en interesse moest bewaren. Maar hij glimlachte naar haar – niet te breed, een preek van Leon indachtig, maar ook niet te klein om verlegen over te komen. Hij kon niets anders verzinnen dan een “hallo” om mee te beginnen en wou zichzelf net voorstellen vooraleer hij zich bedacht dat dat juist niet de bedoeling was. Maar ze glimlachte bij de struikelingen in zijn introductie. Dat moest dan maar íéts zijn. ‘Zo, dat ging vlotjes!’ Het was niet grappig, maar zo veel was niet grappig en kreeg toch een lachje. ‘Hoe is het bal tot nu toe?’ Leon en hij waren redelijk laat geweest, dacht hij. Iets met dat dat beter overkwam dan te vroeg zijn. Of zoiets. ‘Tot nu toe nogal saai,’ gaf ze toe, met een stem die de indruk gaf dat dat gewoon het gemakkelijkste was om te zeggen. Nu ja. Hij kon het haar niet kwalijk nemen. ‘Ja? Ik kan me niet voorstellen dat jij je kan vervelen.’ Of zo.
  2. [1838/1839] Running up that hill

    Heel eerlijk? Nee, hij snapte niet dat Tabitha Fox verliefd op hem was, nee, hij begreep niet dat hij haar armoedig hartje brak, telkens weer, nee, hij kon er met zijn verstand niet bij dat ook maar íémand verliefd op hem was, maar verdomme, was dit echt nodig? Hij hoefde het ook niet te snappen. Hij hóéfde niet om te gaan met een of ander hysterisch mens dat hem chanteerde alsof het een hobby was en dat nu tierde zonder degelijke reden. Boe-hoe, hij had een ego. Boe-hoe, hij had haar niet op zijn schoot gewild, wat erg toch, zou ze die afwijzing zelfs overleven? Moest hij echt later nakijken of ze overleefde? Haar leven had betrekkelijk weinig invloed op het zijne. Alsof Tabitha niet duizenden jongens kon vinden die haar wel wilden. ’t Was niet alsof ze hem echt nodig had – en hij had háár ook niet nodig, verdomme. ‘Zal ik zeker doen! Kan je me nu verdomme met rust laten?’ zei hij, zijn geduld verloren en zijn stem heffend. Dit duurde al veel te lang. Zij wilde niet hem zoals hij was en hij wilde haar in haar geheel niet, dus waarom deze moeite doen? Waarom beweren dat er iets tussen hen was? Het enige wat hij kon bespeuren, waren een aantal herinneringen die ze geen van beiden leken te willen oprakelen en de stilzwijgende belofte nooit bij elkaar te passen. Omdat er geen elkaar was. Meer viel er niet over te zeggen, niet echt. ‘Hoe duidelijk moet ik zíjn?!’
  3. [1838/1839] Running up that hill

    Ze haatte hem. Oké? Verbluft keek Richard naar dat zielige hoopje waartoe die simpele acties van zonet haar veroordeeld hadden. Wat had híj in vredesnaam gedaan? Ergens, ergens had hij de verraderlijke gedachte dat hij een heel deel van het verhaal gemist had, zoals gewoonlijk. Er bestond een heel universum tussen alle interacties waarbij hij te laat opgemerkt had dat zijn aannames niet de waarheid benaderden. Richard ging er altijd zo’n beetje vanuit dat iedereen neutraal naar hem keek, niet negatief, nee, maar ook niet positief. Het idee dat mensen hun mening hadden over zijn persoon, vond hij ongemakkelijk, al was het maar omdat hij zelf nooit een mening had gevormd over wat hij nu precies van zichzelf vond. Was hij blij met wie hij was? Wel… nee, niet per se, maar hij kon ook op mensen komen die hij zelf niet liever wilde zijn, dus wat hem betrof kwam dat neer op neutraliteit. Tabitha was één van die mensen, althans nú. Ze stond hier als een klein kind te stampvoeten, brieste dat ze hem haatte, en hij, hij was hier maar. Maar dat was het altijd zo’n beetje, niet? Hij bestond maar. Eigenlijk had hij geen flauw idee hoe Tabitha besloten kon hebben dat ze van hem hield en nu dat ze van hem haatte. Het leken nogal sterke emoties voor het leeg vat dat hij heimelijk aannam te zijn. Hij wist nooit zo goed wat hij moest doen bij iemand die in tranen uitbarstte. Zelf kon hij er niet tegen om een traan te laten bij een ander, maar Tabitha scheen zichzelf niet per se te generen. Dus. Dus wat? ‘Wat is het nu?’ mopperde hij, ergens koud gelaten door de tranen. Ja, het was ongemakkelijk, maar als Tabitha het niet vervelend vond, ging hij er niet moeilijk over doen. Dat… was het simpelst. ‘Haat je me of niet?’ Hij had graag duidelijkheid. Hm. Dat maakte hem vast doodsaai. Hij sommeerde een ongebruikte zakdoek en bood Tabitha het ding vervolgens aan. ‘Hier.’
  4. [1838/1839] Running up that hill

    Wat was er mis met hem? Een hoop. Richard kon zich niet herinneren dat hij zich ooit volledig gebrekvrij had gevoeld, immer dat vagelijke besef dat er toch iets anders was aan hem. Iets verkeerds. Al was het maar een naad die los zat, iets, iets, iets. Als het hem niet op een verveelde zomerdag was opgevallen, had hij het nooit gezien, misschien, maar nu verliet het idee zijn gedachten nooit. Wat had hij om zo kutarrogant over te doen? In theorie: betrekkelijk veel. Hij had meer geld en status dan Tabitha Fox, zowel in de buitenwereld als binnen de muren van Zweinstein (hij was eenvoudig te vergeten, maar Tabitha had geen reputatie om u tegen te zeggen en soms, soms, soms was niet veel beter dan veel), hij had de eenvoudige keuze om haar niet op zijn schoot te willen, of zij daar nu wilde zijn of niet, hij had de eenvoudige waarheid in zich dat hij niet van háár hield en daarmee uit. Wat was er mis met hem? Wat had hij om kutarrogant over te doen? Een gebrek aan liefde voor haar. ’t Had zijn voor- en nadelen. ‘Wat is er mis met míj?’ herhaalde hij, echter, gefrustreerd. Hij had de gedachten wel, de redenering, maar hij kon het niet omzetten in een stroom van woorden die iemand begrijpen zou. Kon hij nooit. ‘Jíj komt me zomaar bespringen!’ Was dat niet verkeerd? Snapte ze dat niet? Of was hij overmatig dramatisch? Hij had het idee dat liefste nonkel Leon zijn probleem evenmin zou begrijpen. ‘Ga bij iemand zeuren die op je zit te wachten.’
  5. [1838/1839] All paths lead to drunkenness

    Richard haatte vanavond, besloot hij. Hij was Leon Marks niet, hij had zijn aantrekkingskracht niet, hij was niet het type dat alleen maar een ruimte hoefde binnen te wandelen om alle aandacht te krijgen, hij was verdomme gewoon niet zo. Zo eenvoudig was dat. Niets meer en niets minder. Leon mocht hem zielig vinden als hij daar zin in had, mocht op hem neerkijken (wie deed dat niet tegenwoordig? Hij was het zo beu), maar dat mocht hij doen zonder dat híj er last van had. Waarom zou hij ooit nog meegaan met zijn nonkel ‘s avonds? Dit gaf gewoon nog een deuk op zijn allang geblutste zelfbeeld. Hij hoorde de meisjes wel in discussie gaan, hij hoorde de verloofde ruzie maken met zijn liefste, maar bovenal hoorde hij dat sadistisch vernederende stemmetje in zijn hoofd dat hem opgewekt meldde dat elke ongemakkelijke angst die hij bij voorbaat had gehad gelijk had gehad. Kijk toch! Dit was zijn ding niet, dat zou het ook nooit zijn, jamais, en hij moest er maar mee leren leven. Zonder nog een woord te zeggen draaide hij zich om en verliet hij de club. Wat hád hij verdomme aan dit gedoe? Het enige wat hij tot nu toe wijzer was, was dat iedereen zijn nonkel wilde en niemand hem en verdomme, hij had al wel zo zijn vermoedens gehad. OOC: Uitgeschreven! <3
  6. [1838/1839] Handmade Heaven

    Ja, was Richard niet schattig? Onschuldig? Hij was alles wat Leon niet in hem wilde zien, had hij zo het idee, en het was zo vreselijk zenuwslopend om daarvan op de hoogte te zijn. Richard was op zijn best ergens op de achtergrond, de hoek bezettend; hij was het type niet dat iedereen kon overtuigen van hoe geweldig hij wel niet was, hij was het type dat fungeerde als publiek. Zo ook bij Christa Rose, die zo elegant haar hand naar hem uitstak. Maar voor haar wilde hij publiek zijn, echt, ze was het type dat de zon als spotlight zou moeten hebben (en alleen zij, al was het een caveat die hij zelf niet nodig had, ze was de enige die bestond, de enige die de zonnestralen voelen kon (hijzelf was te gebiologeerd door haar om ze te voelen, om überhaupt te beseffen dat de maan uren geleden al het podium betreden had) en voor een keer had hij het gevoel dat zijn aard passend was. ‘Oh, nee, ik denk niet dat we elkaar eerder hebben ontmoet…’ Ongetwijfeld waren ze weleens in dezelfde kamer geweest, maar ah, Richard kon over het algemeen niet naar een prostituee kijken zonder te blozen en dus had hij een ontmoeting als dit wijselijk vermeden – maar kijk, dat ging niet op als de liefdesdrank in zijn systeem hem in het oor fluisterde dat dit mogelijkerwijze de vrouw van zijn leven was. ‘Ik ben Richard Ingram,’ stelde hij zichzelf snel voor, maar hij wilde het helemaal niet over zichzelf hebben, hij wilde het over háár hebben. ‘En jij?’ Als zij tutoyeerde, mocht hij dat vast ook… ‘Toch raar dat ik je niet eerder heb gezien.’ Want hoe in vredesnaam? Ze was het stralende middelpunt van dit feest!
  7. [1838/1839] Running up that hill

    In alle eerlijkheid, Richard was slecht in boos blijven. Hij voelde zich er niet goed bij, vond het ongemakkelijk om tegen iemand te gaan roepen, ondanks al het innerlijk getier (zijn hoofd kon stormen herbergen die hun ijselijke mond hielden zodra er een zuchtje buitenwereld om de hoek kwam piepen), ondanks alles waaraan hij zich in alle stilte aan ergerde, ondanks zijn onvermogen het moreel kompas van de ander te begrijpen. Zo ook bij Tabitha. Ze was zo vreselijk enthousiast omwille van zijn bestaan, scheen zo dol op hem te zijn, was zo snel op zijn schoot geklommen en nu keek ze al zo liefjes in zijn ogen en liet ze allerlei schone woorden weerklinken, alsof de chantage niets betekend had, alsof het allemaal prima was, alsof, alsof, alsof. Hij wist niet of het voor haar ook alsof was. Ze leek vrij oprecht. Maar dat maakte het allemaal nog tien keer ingewikkelder. Hij was niet per se van plan geweest om Tabitha hiervan op de hoogte te stellen, van het feit dat hij haar voor geen meter kon volgen en dat hij haar vriendelijk van zich af wilde duwen en naar bed gaan, naar goede gewoonte alles compleet negerend (hij deed nu wel moeilijk over het chanteergedoe, maar zo lastig was het nu ook weer niet geweest om te vergeten dat hij gechanteerd werd als Aviana hem gekust had), maar toen kuste ze hem. Goh. Hij duwde haar van zich af, hardhandiger dan hij gepland had, en een tel lang staarde hij haar aan, niet goed wetend wat ze in vredesnaam probeerde te doen. ‘Kan je dat ook níét doen?’
  8. [1838/1839] Running up that hill

    Ja, oké, top, ze had weleens meer gedronken, maar dat nam niet weg dat hij nu een zatte Tabitha op zijn schoot had die zat te brabbelen over dat ze leuk was en dat hij ook van haar moest houden. Hij registreerde nauwelijks dat ze het had over wederkerige gevoelens, maar nu ja, zelfs als hij het helemaal doorhad en daar de benodigde hersencellen voor zou hebben, vertrouwde hij geen woord dat er uit haar dronken mond rolde. Zo was hij gewoon. Hij ging de godganse tijd om met de beschonken onderlaag van de persoonlijkheden in zijn leven en zelden, zelden kon hij enig inzicht in hun monologen ontwaren. ‘Je chanteerde me,’ mopperde hij, alsnog, bij haar vraag. In zijn hoofd had het diplomatieker geklonken, maar goed, hij was nu ook weer niet volledig nuchter, dus… dan mocht het? ‘Ik had niet veel gelegenheid om van je te houden, goed?’ Hmmm, hij kon echt beter verwoorden binnen de veilige muren van zijn stom hoofd. Ach ja. Zíj was hier op zijn schoot gesprongen. Ah, dat was geen vrijgeleide, niet echt, maar zoveel was dat niet en ergens had hij geen zin om erop te letten. Tabitha was zo verdomde onmogelijk om te categoriseren, het meisje dat met iedereen naar bed ging, maar tegelijkertijd wel het eerste meisje was geweest met wie hij überhaupt iets seksueels gedaan had, het meisje dat hem chanteerde, het meisje dat zo overstuur raakte omwille van op het eerste zicht onschuldige verzoekjes… En nu het meisje op zijn schoot, dat bijna eiste dat hij van haar hield. Richard was slecht in de persoon zijn van wie mensen eisten dat hij hem was. Dat merkte hij bij Leon, maar nu des te meer bij Tabitha. Oeps? ‘Wat wil je?’
  9. [1838/1839] Running up that hill

    Het was niet zo raar als Richard niet wist wat hij hiermee aanmoest, toch? Dit was een meisje dat hij al máánden niet meer gesproken had dat uit het niets op zijn schoot was gesprongen en hem toesprak alsof ze de liefde van elkaars leven waren. Waren ze dat? Richard zou de liefde niet herkennen als het voor zijn neus stond, interesse al evenmin, maar nu het op zijn schoot zat, moesten zijn roestige hersencellen in actie schieten om hem de hint door te spelen dat Tabitha Fox hem misschien aardiger vond dan chantage had doen uitschijnen. Nu zorgde dat besef op zich niet per se voor meer begrip, want waar Aviana weleens op zijn schoot had gezeten, zo nu en dan, had ze het nooit zo gedaan en ze had al helemaal nooit verzucht over hoe alles wel niet goed was omdat ze nu bij hem was. Dat… had niemand ooit gezegd, eigenlijk. Wat zei je er in vredesnaam op? Bedankt? ‘Ik denk,’ zei hij, koppig de verwarde blos die zijn wangen bereikte negerend, ‘dat jij teveel op hebt.’ Dat was vast de reden dat ze zo deed – gewoon de eerste de beste die ze tegenkwam om aan te hangen. ’t Was niet alsof Tabitha goed was in alleen zijn. ‘Wel lief, hoor.’
  10. [1838/1839] Handmade Heaven

    28 september 1838 Er waren meer mensen aanwezig op deze gelegenheid dan Richard zou kunnen tellen. Voor een deel mensen die hij kende, voor een deel ook niet, maar het maakte ook niet zoveel uit. Door de pseudo-Korinthische zuilen die het feest met Romeins thema (of dat dacht hij, in ieder geval, maar op den duur begon alles wel op elkaar te lijken) omlijstten, had hij haar gezien. Blond, zoals elke engel in door connaisseurs geprezen schilderijen, een lach die hij niet had kunnen horen, enkel had kunnen zien, maar dat alleen al was verblindend geweest, een lichaam dat even in schaduwen verhuld werd als koket getoond, een combinatie die hem meteen, ondanks de paar brokken schroom die hij nog over had, allerlei dromen toegefluisterd had. Het glas champagne in zijn hand was gevaarlijk schuin gaan hangen zodra zijn ogen op haar gevallen waren, met een plasje op de grond tot gevolg. Maar heel eerlijk? Nu nog was het hem niet opgevallen. Haar in zich opnemen vereiste zijn volledige breincapaciteit. Zonder er acht op te slaan verliet hij het plasje op de vloer en bijna vergeten dat er nog iemand anders in de zaal was stapte hij op haar af. De zaal was vormgegeven naar een agora, iets met open discussie promoten, maar Richard kon zich niet herinneren dat er tot nu toe iets anders was verlopen dan normaal, enkel dezelfde smalltalk als altijd, dezelfde gesprekken over de politiek en de economie als altijd, dezelfde mensen die te vroeg op de avond dronken werden en dezelfde mensen die hun neus ervoor ophaalden. Het enige verschil was zíj, dartele muze die ze was. Of was muze te min? Nimf? Godin? Richard was niet goed in dit soort dingen determineren. Hij leefde met één oog op de handleiding gericht en het andere op de grond. Hallo, oefende hij in zijn hoofd, op weg naar haar. Halverwege nam hij nog een slok van de champagne die hem zo vluchtig in handen gedrukt was, zoetere schuimwijn dan hij gewend was, maar dat maakte allemaal niet uit — hij wilde weten of zij even zoet smaakte als hij zichzelf inbeeldde bij haar feeërieke verschijning. Eenmaal in haar buurt liet hij zijn bijna lege glas achter op een willekeurig tafeltje en verleende hij haar zijn vriendelijkste glimlach. Nonkel Leon scheen het als een zwakte te zien om te gretig te zijn, te duidelijk onder de indruk te zijn van een vrouw, maar hij kon zich niet voorstellen dat hij ooit háár gezien had. ‘Hallo,’ vroeg hij haar om aandacht, smeekte haast. ‘Ik… U bent beeldschoon. Weet u dat?’ Zo nee zou hij het haar vertellen, opnieuw en opnieuw, totdat een chorus het achteloos zingen kon. OOC: Privé met Gianna! <3
  11. [1838/1839] All paths lead to drunkenness

    Oké. Dit was beschamend. En Richard haatte zijn nonkel voor een moment voor hoe onsubtiel hij was over hoe slecht hij het deed, haatte dat meisje, haatte de vriendin die ze erbij haalde die ze ongetwijfeld alles allang verteld had, haatte hier zijn, haatte uitgaan en de datewereld, haatte al dit gedoe. Wat was er mis met hoe hij het nu deed? Wat was er mis met uitgaan met vrienden en stomdronken en/of high worden en onderling stomme dingen uithalen? Wat was er mis met hier en daar een puppyachtige verliefdheid ontwikkelen op een meisje dat veel beter krijgen kon dan hij? Waarom zou hij al deze moeite doen? Hij zou uiteindelijk echt wel aan een vrouwke geraken (“heel net en genereus”) – was dit echt nodig? Maar goed, de vriendin stond nu al voor zijn neus en dus glimlachte hij maar wat, bood haar wat te drinken aan en eenmaal dat gearrangeerd keek hij even nerveus om zich heen. Leon had… duidelijk nergens last van (ergens benijdde hij dat, die flair waarmee zijn nonkel doorheen het leven schreed, hoe iedereen aan zijn lippen hing en hoe elke vrouw hem wilde zonder dat hij er verdomme ook maar iets voor hoefde te doen, terwijl Richard nauwelijks wist hoe hij buiten zijn eigen sociale bubbel een gesprek moest onderhouden), maar hij wilde het niet zien ook. Hij zette zich wat uit Leons buurt, begon een gesprek vol smalltalk (Zweinstein en haar universitaire opleiding, dit jaar begonnen, heelkunde, ze begon al dromerig over dromen van kinds af aan en ergens keek hij haar verwonderd aan, verrast dat mensen zo lang aan kinderdromen konden vasthouden, ze vertelde dat ze liever ergens anders kwam, maar haar vriendin (die, ja, op Leons schoot zat) wilde liever naar hier wegens de VIP-ruimte (de rien, dacht hij in zichzelf) en nog wat situationele onzin), maar het kwam er allemaal op neer dat ze uiteindelijk over een verloofde begon en oh, ja, nu stond die hier. Hij keek een beetje ongemakkelijk naar meneer. Keek vervolgens naar zijn nonkel. Dat meisje was vast ont-zet-tend leuk, maar help, oké. Hij durfde niet uit te spreken dat hij absoluut niets met mejuffrouw gedaan had, of het nu de wereld was of niet, puur omdat hij dat niet wilde uitspreken naast zijn nonkel. Dat leek zo… zielig nu. Maar Richard voelde zich wel vaker zielig naast nonkel Leon.
  12. [1838/1839] Running up that hill

    Kijk, het was niet zo dat Richard echt niet meer wist wie Tabitha Fox was. Het was evenmin zo dat hij compleet vergeten was waar ze hem zoal toe gedwongen had, maar het was wél zo dat Tabby eigenlijk niet zo erg opviel in de massa op Zweinstein, dat Richard zelf evenzeer verre van nuchter was en al helemaal dat hij sowieso niet altijd de handigste dingen zei. Als hij zijn nonkel trots zou willen maken, moest hij nu vast wat onzin uithalen die maken zou dat het meisje dat zo ongevraagd op zijn schoot was beland zich nog dichter tegen hem aan kwam nestelen, iets dat haar tevreden zou houden en alles, maar… ja. Ten eerste hoefde hij duidelijk niets meer te doen voor ze op het door Leon Marks gegeerde stadium kwam. Ten tweede gingen de adviezen van zijn nonkel sowieso een beetje het ene oor in en het andere weer uit. En ten derde staarde hij Tabitha Fox vooral een beetje verbluft aan toen ze begon over hun kinderen en van hem houden en toen ze hem kuste, net alsof hij haar zonet ten huwelijk gevraagd had. Uit reflex had hij zijn armen wel om haar heen geslagen, om dat wankele meisje niet te laten vallen, maar… ‘Huh?’ In haar gezicht zocht hij naar een verklaring. ‘Is alles goed met je?’
  13. [1838/1839] All paths lead to drunkenness

    Ze was mooi. Zo vanaf hier had hij het wel gezien – maar waren de meesten dat niet sowieso? Vrouwen hadden hun beste beentje voorzetten tot een kunst verheven op manieren die Richard zo vaak eigenlijk niet begreep, maar die hij wel apprecieerde. Vanop een afstandje, Leon. Afstand was fijn, afstand was comfortabel, afstand zorgde voor geen chantage en geen gebroken harten, geen scènes in het midden van de Grote Zaal, niemand die hem nakeek om het drama dat hij geschopt had. Afstand was achtergrondgeluid kunnen zijn en God, ja, het was een leven waar niemand van op zou kijken, iets dat niemand hem na zou willen doen, maar dat had hij verdomme ook nooit nodig gehad. Waarom was dat zo moeilijk voor mensen om te begrijpen? Of nee. Waarom was dat zo moeilijk voor zijn liefste nonkel om dat te begrijpen? Hij wilde de zenuwen niet voelen van niet weten hoe hij dit in vredesnaam zou moeten aanpakken. Maar hij knikte, zoals zijn nonkel hem zei te doen, en voor hij het wist, stond ze bij hem. Goh. Hij wierp één zijdelingse blik op zijn nonkel, voor hij zich iets van hem afwendde – een eerste kennismakingsgesprek voeren met hem als vijfde wiel aan de wagen voelde zo… raar – om te informeren naar haar naam. En hij kon heus wel een licht moeizaam gesprekje met haar hebben over saaie koetjes en kalfjes, voor hij doorhad dat ze eigenlijk niet naar hem keek en wel naar zijn nonkel. ‘Waarom stel je ons niet even aan elkaar voor?’ Eh.
  14. [1838/1839] All paths lead to drunkenness

    Hóé had hij dat moeten zien? Richard was nóóit het middelpunt van belangstelling geweest (nu ja, misschien als hij er meer aan gewend was geraakt, was hij nooit in de situaties verzeild geraakt waarin hij het afgelopen jaar gesukkeld was, had hij beter geweten hoe hij met dat soort dingen om moest gaan, wist hij veel) en zo ineens bleek dat hij op een bepaalde plek moest gaan zitten en dan plots keek iedereen naar hem? Dat klonk niet eens echt. Maar dat was het wel, schijnbaar. Kijk eens aan. Hij deed de moeite niet om echt te antwoorden, niets anders dan een sceptische ‘Als jij het zegt…’, keek om zich heen, deels om iemand te zoeken van wie hij dacht dat zijn nonkel erachter zou staan, deels om juist meer iemand te zoeken van wie hij dacht dat die hem niet straal zou negeren of keihard zou gaan uitlachen. Moeilijk evenwicht, bedacht hij, al zou het dat niet voor iedereen zijn. Maar Richard deed niet echt aan meisjes benaderen, hij benaderde toevallig één keer de verkeerde voor wat hulp bij een ander en werd dan in een fragiele constructie geforceerd die zijn eigen lafheid voornamelijk in stand hield. Dit, dit was iets compleet anders. Vanuit zijn ooghoek probeerde hij te bedenken wat zijn nonkel hier precies van dacht, wat hij van hem vond, vlak vooraleer hij bedacht dat hij het háátte om zich dat constant af te vragen. Het was zo verdomde vermoeiend en hij zou hier niet met zijn nonkel zijn als die hem niet een beetje zielig vond, dus wat boeide het zelfs… Oké, dat was een verbazingwekkend slechte vraag om te stellen als je toch alleen maar zenuwachtig werd van de idee dat je een achterstand had van hier tot in Tokio en dus bestelde hij dat drankje maar voor één of ander meisje dat hem ongeveer zijn leeftijd leek, hoewel hij haar naar zijn geheugen niet van op Zweinstein herkende, en hem niet het type leek dat het ding in zijn gezicht zou smijten. Zoveel dat je kon afleiden uit één blik op haar gezicht. ‘En nu?’ informeerde hij, terugkerend bij zijn nonkel. Was hij dom? Op dit vlak, ja. Maar… ach, ’t was niet alsof Leon iets anders van hem verwachtte op dit vlak nu. ‘Is dit echt hoe jij je tijd spendeert?’
  15. [1838/1839] All paths lead to drunkenness

    Nee, Richard had nooit zo meegekregen dat hij tien keer beter was dan een ander om zijn achternaam. Nu ja, in theorie wel; hij had weleens gehoord dat het beter was om een Ingram te zijn dan om het crapuul op straat te zijn, maar nooit zo… specifiek en recht voor de raap als zijn waarde nonkel Leon dat deed. Had er nooit zo intens over nagedacht, dat ook. Op Zweinstein was het gemakkelijk om te merken dat je net iets mooier afgewerkte kleren droeg, dat je niet grimaste als het jouw beurt was om de benodigde alcohol in te slaan, maar het was net zo gemakkelijk om dat allemaal te vergeten. Om dat duur hart van je te verpanden aan een meisje uit de middenklasse en je waardigheid aan het oplettend oog van een ander. Bij nonkel Leon was het een stuk moeilijker. Gewoon. Hij was nog niet veel uitgeweest met andere mensen dan zijn vrienden van Zweinstein, dus eerder had hij nooit zo ervaren dat hij met de welluidende Ingram achteraan genoeg benen kon spreiden. Hij kwam er sowieso niet veel voor uit, maar nu durfde hij al helemaal niet te vermelden dat hij nog nooit echt had geprobeerd om iemands benen te spreiden. Op Aviana had hij nooit veel druk willen uitoefenen, dus… dat. Was dat verkeerd geweest van hem? Hij keek om zich heen, naar de club van Valentine en probeerde te zien waar Leon het in vredesnaam over had. Ja, prima, er waren heus wel wat mensen die net als hij zoekend om zich heen keken, maar hij dacht écht niet dat dat was omdat ze op zoek waren naar een dosis galjoenen om nat van te worden. Of was dat naïef? Miste hij gewoon iedereen die gelijk bijen op zoek naar nectar aangetrokken was door het geld dat op zijn bankrekening stond te verstoffen? ‘Over wíé heb je het?’ informeerde hij, terwijl hij de gepoogde subtiliteit liet varen om te zien of hij effectief blind was of Leon uit zijn nek kletste. Op zich zag hij het hem nog wel doen. ‘Niemand kijkt toch naar ons?’ Beter, hoor, anders voelde hij zich ook maar bekeken. Toen Leons laatste woorden doordrongen, fronste hij. ‘Hoe ga je dát doen? Je portemonnee aan iedereen laten zien?’ Pffft.
×